Inleiding tot Jesaja 8
Jesaja hoofdstuk 8 vormt een direct vervolg op hoofdstuk 7 en behandelt Gods oordeel over de vijanden van Juda, maar ook over Juda zelf. Dit hoofdstuk bevat krachtige waarschuwingen tegen het zoeken naar hulp bij valse bronnen en roept op tot vertrouwen op Gods Woord.
Het Teken van Maher-Sjalal-Hasj-Baz (verzen 1-4)
God geeft Jesaja opdracht om de naam 'Maher-Sjalal-Hasj-Baz' (betekenis: 'snel buit, spoedige roof') op te schrijven en zijn zoon deze naam te geven. Deze symbolische naam kondigt aan dat Damascus en Samaria spoedig door Assyrië zullen worden overwonnen. Voordat het kind kan spreken, zullen deze vijanden van Juda zijn verslagen.
Deze profetie ging letterlijk in vervulling toen Assyrië onder Tiglat-Pileser III in 732 v.Chr. Damascus innam en later ook het noordelijke koninkrijk Israël veroverde.
De Assyrische Invasie als Oordeel (verzen 5-10)
God vergelijkt de Assyrische invasie met een overstroming van de Eufraat die over zijn oevers treedt. Omdat het volk de 'zacht stromende wateren van Siloam' (symbool voor Gods zorg) heeft veracht en liever vertrouwde op menselijke allianties, zal God 'de machtige en vele wateren' (Assyrië) over hen brengen.
Interessant is dat zelfs Juda, hoewel aanvankelijk gespaard, ook zal lijden onder deze invasie. De Assyrische macht zal zich uitstrekken 'tot aan de hals' - een verwijzing naar de belegering van Jeruzalem onder Sanherib.