Ga naar hoofdinhoud
Jezus ChristusGevorderd

Waarom werd God mens?

Kort antwoord

De Bijbel leert waarom God mens werd: alleen een Middelaar Die waarachtig mens en waarachtig God is, kan ons met God verzoenen (1 Timotheüs 2:5; Heidelbergse Catechismus, Zondag 5). Een mens moest de straf dragen, en geen gewoon mens kon dat. Daarom nam de Zoon van God onze menselijke natuur aan, om in onze plaats te betalen.

Met kerst klinkt de boodschap dat God mens werd: de eeuwige Zoon van God kwam als kind in Bethlehem ter wereld. Dat roept een vraag op. Waarom was dat nodig, en had God de mensen niet op een andere manier kunnen redden? Op deze pagina leest u wat de Bijbel en de Heidelbergse Catechismus daarover zeggen: waarom de Verlosser een echt mens moest zijn, waarom Hij ook God moest zijn, en wat dat betekent voor wie Hem zoekt.

Waarom werd God mens volgens de Bijbel?

De Bijbel begint het antwoord bij de zonde, lang voor de kribbe. God schiep de mens goed, maar door de ongehoorzaamheid van Adam kwam de zonde in de wereld, en met de zonde de dood (Romeinen 5:12). God is heilig en rechtvaardig. Hij laat de zonde niet ongestraft, en de bezoldiging van de zonde is de dood (Romeinen 6:23).

Die schuld ligt bij de mens, en de mens kan haar niet betalen. Al in de Psalmen klinkt dat: 'Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven' (Psalm 49:8). Wie zelf schuld heeft, kan niet voor een ander instaan. En elke dag komt er schuld bij.

Daarom kwam God Zelf. Het Nieuwe Testament wijst één weg uit deze nood: 'Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus' (1 Timotheüs 2:5). Een middelaar staat tussen twee partijen in en moet bij allebei horen. Om God en mensen met elkaar te verzoenen, moest de Verlosser dus waarachtig mens en waarachtig God zijn. Zo vat de Heidelbergse Catechismus het samen (Zondag 5, vraag 15). Dat is in één zin het antwoord op de vraag waarom God mens werd.

Waarom moest de Verlosser een echt mens zijn?

Het mens-zijn van Christus was geen vermomming. In Hebreeën 2 staat het nadrukkelijk: 'Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden' (Hebreeën 2:14). Omdat wij mensen van vlees en bloed zijn, nam de Zoon van God vlees en bloed aan. Zo kon Hij sterven, door Zijn dood de macht van de duivel breken en hen bevrijden die hun leven lang in angst voor de dood leefden (Hebreeën 2:14-15).

Even verderop staat het doel van Zijn menswording: 'Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen' (Hebreeën 2:17). In Hebreeën en in de Catechismus liggen vier redenen:

  • De mens had gezondigd, dus moest een mens de straf dragen (Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag 16). Volgens Hebreeën 2:16 nam Hij het zaad van Abraham aan, en geen engelen.
  • Dieroffers konden de zonde niet wegnemen. De offers in de tempel wezen vooruit, maar het bloed van stieren en bokken deed de schuld niet echt weg (Hebreeën 10:4).
  • Hij moest Zelf rechtvaardig zijn. Een zondaar kan niet voor anderen betalen. Christus werd in alles verzocht zoals wij, maar bleef zonder zonde (Hebreeën 4:15).
  • Hij moest met ons kunnen meeleven. Als Hogepriester kent Hij onze zwakheid van binnenuit, en daarom is Hij barmhartig.

Waarom moest Hij ook God zijn?

Een rechtvaardig mens alleen was niet genoeg. De straf voor de zonde is de toorn van de eeuwige God, en die last kan geen schepsel dragen en er levend uit komen. Bovendien moest het offer een oneindige waarde hebben. De Dordtse Leerregels zeggen dat Zijn offer van oneindige waarde is, omdat Hij niet alleen waarachtig mens maar ook de eniggeboren Zoon van God is (hoofdstuk II, artikel 3-4). Ook moest het verloren leven aan ons worden teruggegeven. Dat kan alleen God. De HEERE zegt Zelf bij Jesaja dat er buiten Hem geen Heiland is (Jesaja 43:11). Daarom heet het Kind dat Jesaja aankondigt ook 'Sterke God' (Jesaja 9:5).

Deze redenering is oud. Anselmus van Canterbury schreef er aan het eind van de elfde eeuw een heel boek over, Cur Deus homo (Waarom God mens werd). Zijn gedachtegang komt in het kort hierop neer: de genoegdoening voor de zonde moet door een mens gebracht worden, want de mens is de schuldenaar; alleen God kan haar brengen, want de schuld is groter dan alles wat een schepsel kan geven. Daarom moest de Verlosser God en mens tegelijk zijn. De Heidelbergse Catechismus redeneert in Zondag 5 en 6 langs dezelfde lijn, steeds met de Schrift als grond.

Voor wie zijn eigen schuld voor God kent, is dit geen theorie. Het betekent dat de verzoening niet van ons afhangt. God Zelf heeft gegeven wat wij niet konden geven.

Waarom kwam Jezus naar de aarde?

Wie vraagt waarom Jezus naar de aarde is gekomen, vindt het antwoord al in Zijn naam. De engel zei tegen Jozef: 'gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden' (Mattheüs 1:21). Hij kwam om te redden.

Daarom hoort de kribbe bij het kruis. De kerstboodschap gaat over meer dan een kind in een stal: Hij werd geboren om te sterven. Paulus beschrijft die weg naar beneden. Christus was in de gestaltenis van God, 'maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden' (Filippenzen 2:7). Die vernedering ging door tot de dood aan het kruis (Filippenzen 2:8). Wat daar gebeurde, leest u bij de vraag waarom Jezus moest sterven. Wat de feestdagen rond Zijn geboorte betekenen, vindt u op de pagina over kerst.

Hoe kon God mens worden en God blijven?

Dat God mens werd, kunnen wij niet doorgronden, wel belijden. Johannes schrijft: 'En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond' (Johannes 1:14). Het Woord dat in den beginne bij God was en God was (Johannes 1:1), werd mens zonder op te houden God te zijn.

De kerk van alle eeuwen heeft hier twee grenzen bewaakt. Arius leerde in de vierde eeuw dat de Zoon een schepsel was. Het concilie van Nicea (325) wees dat af en beleed dat Hij waarachtig God is; meer daarover leest u bij de vraag of Jezus God is. Anderen meenden dat Christus maar een schijnlichaam had. Johannes noemt het al een geest die niet uit God is, als iemand ontkent dat Jezus Christus in het vlees gekomen is (1 Johannes 4:2-3). Het concilie van Chalcedon (451) vatte het samen: één Persoon in twee naturen, onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden. Christus is niet half God en half mens, maar volkomen God en volkomen mens.

Wat zeggen de belijdenisgeschriften?

De Heidelbergse Catechismus behandelt deze vraag in Zondag 5 en 6. Eerst stelt hij vast dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedt, en dat wij niet zelf kunnen betalen, omdat wij de schuld nog dagelijks groter maken (vraag 12-13). Ook geen bloot schepsel kan de last van Gods eeuwige toorn dragen (vraag 14). Daarom zoeken wij een Middelaar 'die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die tegelijk waarachtig God is' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 5, vraag 15).

In Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus volgt de uitleg. Hij moest mens zijn, omdat de menselijke natuur die gezondigd had ook voor de zonde moest betalen (vraag 16). En Hij moest God zijn, 'opdat Hij uit kracht Zijner Godheid den last van den toorn Gods aan Zijn mensheid zou kunnen dragen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag 17). Die Middelaar is onze Heere Jezus Christus (vraag 18).

De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt in artikel 18 over de menswording. De Zoon van God nam een ware menselijke natuur aan, met lichaam en ziel, ontvangen door de kracht van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, in alles aan ons gelijk behalve de zonde. Een echte menselijke ziel was nodig, omdat de mens naar lichaam en ziel verloren was en naar lichaam en ziel behouden moest worden. Artikel 19 belijdt dat beide naturen in één Persoon verenigd zijn, zonder vermenging, en dat elke natuur haar eigen eigenschappen behoudt.

Wie zijn schuld kent, hoeft dus niet bij zichzelf te zoeken wat alleen deze Middelaar kon geven.

'Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden' (2 Korinthe 8:9)

Bijbelverwijzingen

waarom werd god menswaarom kwam jezus naar de aardewaarom is jezus naar de aarde gekomenmenswordingmiddelaarhc zondag 5hc zondag 6ngb art. 18

Stel uw eigen vraag

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Stel uw vraag aan de AI BijbelAssistent en krijg direct een onderbouwd antwoord met bijbelverwijzingen.

Stel een vraag

Gerelateerde vragen

Jezus Christus

Is Jezus God?

Ja, Jezus is God. De Bijbel noemt Hem uitdrukkelijk God (Johannes 1:1), en Hij sprak en handelde als God: Hij vergaf zonden en aanvaardde aanbidding die alleen God toekomt. Tegelijk werd Hij waarachtig mens. Zo belijdt de kerk Hem sinds het concilie van Nicea in 325: waarachtig God uit waarachtig God.

Jezus Christus

Waarom moest Jezus sterven?

De Bijbel geeft een helder antwoord op de vraag waarom Jezus moest sterven: Hij droeg in onze plaats de straf voor onze zonden, zodat wie in Hem gelooft met God verzoend wordt (Jesaja 53:5). God is rechtvaardig en laat de zonde niet ongestraft. In Zijn liefde gaf Hij Zijn Zoon, Die deze straf vrijwillig op Zich nam.

Bijbelse begrippen

Wat betekent Immanuël?

De betekenis van de naam Immanuël is *'God met ons'*. Mattheüs vertaalt de Hebreeuwse naam zelf zo (Mattheüs 1:23). De naam komt uit de belofte aan koning Achaz in Jesaja 7, dat een maagd een Zoon zou baren. Het Nieuwe Testament ziet die belofte vervuld in Jezus, de Zoon van God Die mens werd.

Jezus Christus

Was Maria echt maagd toen Jezus werd geboren?

Ja, de Bijbel leert de maagdelijke geboorte van Jezus: Maria was maagd toen zij door de kracht van de Heilige Geest zwanger werd (Lukas 1:34-35). Mattheüs en Lukas vertellen het allebei, en de kerk belijdt het in de Twaalf Artikelen. Zo is Jezus waarachtig mens uit Maria en tegelijk de heilige Zoon van God, zonder zonde.

Jezus Christus

Hoeveel discipelen had Jezus?

Op de vraag hoeveel discipelen Jezus had, is het antwoord: twaalf, die Hij uit een grotere kring van volgelingen koos en ook apostelen noemde (Lukas 6:13). Na het verraad van Judas Iskariot nam Matthias diens plaats in. Daarnaast zond Jezus nog zeventig anderen uit, en ook vrouwen en vele andere volgelingen gingen met Hem mee.

Verdiep u verder