Welke dieren hebben gespleten hoeven?
De regel staat in Leviticus 11:3 en stelt twee eisen tegelijk: 'Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.' Wat wij een gespleten hoef noemen, heet in de Statenvertaling een gekloofde klauw. Rein zijn dus alleen dieren die beide kenmerken hebben: rund, schaap en geit, en van het wild het hert, de ree en de steenbok.
Vier dieren worden bij name genoemd, juist omdat zij aan één van de twee eisen voldoen en aan de andere niet. De kemel, het konijntje en de haas herkauwen wel, maar verdelen den klauw niet (vers 4 tot 6). Het zwijn is daarvan het spiegelbeeld: 'dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet' (Leviticus 11:7). Daarom komt het varken in vers 7 en 8 aan de verkeerde kant van de streep te staan, en verbiedt vers 8 ook het aanraken van het dode dier.
Het paard, de ezel en elk roofdier vallen af omdat zij de klauw niet verdelen. Dezelfde regel met vrijwel dezelfde voorbeelden staat in Deuteronomium 14:6 tot 8, waar het varken met zoveel woorden wordt genoemd.
Inleiding tot Leviticus 11
Leviticus 11 vormt een van de meest bekende hoofdstukken uit de Mozaïsche wetgeving en behandelt de spijswetten die God aan het volk Israël gaf. Dit hoofdstuk biedt gedetailleerde instructies over welke dieren wel en niet gegeten mogen worden, en introduceert het belangrijke concept van 'rein' en 'onrein'.