Inleiding tot Handelingen 10
Handelingen 10 vormt een keerpunt in de geschiedenis van de vroege kerk. Dit hoofdstuk beschrijft hoe God het evangelie opent voor de heidenen door de ontmoeting tussen de Romeinse centurio Cornelius en de apostel Petrus. Het is een verhaal over Gods genade die alle grenzen overstijgt.
Cornelius: Een godvrezende heiden (vers 1-8)
Het verhaal begint met Cornelius, een centurio van het Italiaanse regiment in Caesarea. De Bijbel beschrijft hem als 'godvrezend' - iemand die de God van Israël vereerde zonder volledig tot het jodendom te zijn overgegaan. Cornelius gaf aalmoezen en bad regelmatig, wat toont dat zijn geloof oprecht was.
In een visioen rond het negende uur (drie uur 's middags, het joodse gebedstijd) verschijnt een engel aan Cornelius. De engel vertelt hem dat zijn gebeden en aalmoezen zijn opgekomen als een gedachtenis voor God. Hij krijgt de opdracht mannen naar Joppe te sturen om Petrus te halen.
Petrus' visioen van het laken (vers 9-16)
Terwijl de boodschappers van Cornelius onderweg zijn, ontvangt Petrus een opmerkelijk visioen. Hij ziet een groot laken vol met allerlei dieren - viervoetige dieren, reptielen en vogels. Een stem zegt: 'Sta op, Petrus, slacht en eet!' Petrus weigert omdat er onreine dieren bij zijn volgens de joodse wet.