Inleiding tot Titus 3
Titus 3 vormt het slothoofdstuk van Paulus' brief aan Titus, zijn medewerkersop het eiland Kreta. Dit hoofdstuk bevat praktische instructies voor christelijk gedrag in de samenleving, een prachtige beschrijving van Gods genade, en wijze raad over hoe om te gaan met conflicten in de kerk.
Christelijk Burgerschap (verzen 1-2)
Paulus begint met concrete instructies over hoe christenen zich moeten gedragen als burgers: 'Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn.' Deze woorden waren bijzonder relevant voor de christenen op Kreta, dat deel uitmaakte van het Romeinse Rijk.
De apostel benadrukt dat christenen geen tweedeling mogen maken tussen hun geloof en hun maatschappelijke verantwoordelijkheden. Ze moeten, zoals vers 2 zegt, 'niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.' Dit is geen passiviteit, maar actieve liefde die vrede zoekt.
De Transformatie door Gods Genade (verzen 3-7)
Het hart van dit hoofdstuk ligt in de verzen 3-7, waar Paulus een contrast schetst tussen het oude en nieuwe leven. Hij herinnert de lezers eraan hoe ook zij eens leefden: 'Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende' (vers 3).