Wie het over roken, gezond eten of een tatoeage heeft, hoort al snel dat het lichaam een tempel van de Heilige Geest is. Die woorden komen uit 1 Korinthe 6, en Paulus schreef ze met een bepaalde reden. Hieronder leest u wat hij in dat verband bedoelde, waarom hij ook de gemeente Gods tempel noemt en hoe de tekst wel en niet van toepassing is op de zorg voor uw lichaam.
Wat betekent: uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest?
De zin staat in 1 Korinthe 6, waar Paulus de gemeente in Korinthe aanspreekt over hoererij. Paulus noemt eerst de christelijke vrijheid, waarschijnlijk zoals sommigen in Korinthe die als vrijbrief gebruikten, en zet er meteen een grens bij: 'alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen' (1 Korinthe 6:12).
Uit zijn antwoord blijkt dat sommigen meenden dat het voor God weinig uitmaakte wat iemand met zijn lichaam deed. Paulus schrijft daartegenover: 'Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam' (1 Korinthe 6:13). De leden van de gelovige zijn leden van Christus (1 Korinthe 6:15). Daarom roept Paulus op de hoererij te ontvluchten, want wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam (1 Korinthe 6:18). Dan volgt de bekende vraag: 'Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?' (1 Korinthe 6:19).
Het lichaam is dus geen omhulsel dat er voor God niet toe doet. God heeft het gemaakt, Christus heeft het gekocht en de Heilige Geest woont erin. Wie het lichaam aan de zonde geeft, ontheiligt de plaats waar God woont. Het hele verband leest u in de uitleg van 1 Korinthe 6; wat de Bijbel verder zegt over het huwelijk en de omgang tussen man en vrouw, vindt u bij seksualiteit in de Bijbel.
Waarom noemt Paulus het lichaam een tempel?
In het Oude Testament was de tempel in Jeruzalem de plaats waar de HEERE woonde te midden van Zijn volk. Daar werd geofferd en daar mocht niets onreins binnenkomen. De Heere Jezus sprak over Zijn eigen lichaam als tempel (Johannes 2:19-21): in Hem woonde God werkelijk onder de mensen.
Na Pinksteren woont God door Zijn Geest in hen die Christus toebehoren. De Heere Jezus had het beloofd: de Geest der waarheid zou bij Zijn discipelen blijven en in hen zijn (Johannes 14:17). Een tempel is de woning van God. Dat de Geest in de gelovige woont, laat dus zien dat Hij God is: Paulus noemt de gemeente waarin de Geest woont ook Gods tempel (1 Korinthe 3:16). En de Heere Jezus spreekt over de Geest als over een Persoon (Johannes 14:17); daarover leest u meer bij de vraag of de Heilige Geest een persoon is.
Een tempel is heilig, en daarom raakt dit beeld aan de manier waarop de gelovige met zijn lichaam omgaat. Wat God tot Zijn woning maakt, behoort Hem toe.
Is de gemeente of het lichaam de tempel van de Heilige Geest?
Paulus gebruikt het beeld van de tempel op twee manieren. Eerder in dezelfde brief spreekt hij de gemeente als geheel aan: 'Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?' (1 Korinthe 3:16). Daar gaat het over een gemeente die verdeeld raakte door nijd, twist en partijschappen (1 Korinthe 3:3-4). Wie de gemeente afbreekt, doet iets ernstigs, 'want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt' (1 Korinthe 3:17). Ook in de brief aan de Efeziërs noemt Paulus de gemeente een woonstede Gods in den Geest (Efeze 2:22).
In 1 Korinthe 6 past hij hetzelfde beeld toe op het lichaam van iedere gelovige. Er staat 'ulieder lichaam': het lichaam van ieder van u, als lid van Christus. Die twee horen bij elkaar. De Geest woont in de gemeente en in elk van haar leden, en wie lid is van Christus, staat nooit alleen. Daarom is zonde met het lichaam nooit een zaak van iemand alleen: zij raakt ook de gemeente, het lichaam van Christus.
Wat betekent het lichaam als tempel voor roken, eten of tatoeages?
Paulus past de tekst zelf toe op hoererij. Wie de tekst voor andere vragen gebruikt, doet er goed aan dat eerlijk te zeggen. Toch reikt het beginsel verder dan dat ene onderwerp. Paulus sluit af met een opdracht die het hele leven omvat: verheerlijk God in uw lichaam (1 Korinthe 6:20). In de brief aan de Romeinen zegt hij het in ruime woorden: 'dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande' (Romeinen 12:1). En over eten en drinken schrijft hij dat alles ter ere Gods mag gebeuren (1 Korinthe 10:31).
Daaruit volgen een paar dingen.
- Zorg voor het lichaam is een vorm van dankbaarheid. Wie het lichaam als Gods gave ontvangt, gaat er niet roekeloos mee om.
- Verslaving raakt het hart van deze tekst. Paulus wil zich door niets laten beheersen (1 Korinthe 6:12), of het nu om drank, gokken of iets anders gaat. Wie hiermee worstelt, hoeft dat niet alleen te dragen; bespreek het met uw predikant, ouderling of huisarts.
- Roken noemt de Bijbel nergens. Wel is algemeen bekend dat het de gezondheid schaadt, en dat mag meewegen voor wie zijn lichaam als Gods eigendom ziet.
- Tatoeages komen op een andere plaats in de Bijbel ter sprake (Leviticus 19:28). Wat die tekst betekent, leest u bij tatoeages in het licht van de Bijbel.
- Sport en gezond eten hebben hun waarde, al noemt Paulus de lichamelijke oefening van weinig nut naast de godzaligheid (1 Timotheüs 4:8).
De tekst is geen meetlat om elkaar bij iedere gewoonte de les te lezen. Paulus waarschuwt elders tegen regels die alleen een schijn van wijsheid hebben, zoals het lichaam niet sparen (Kolossenzen 2:23). Ook het lichaam vereren past niet bij een tempel, want een tempel is er voor God. Waar de Bijbel zwijgt, mag ieder in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd zijn (Romeinen 14:5, vergelijk vers 2-3), voor het aangezicht van God.
Waarom bent u niet van uzelf?
De kern van 1 Korinthe 6:19-20 is een overdracht van eigendom. 'Want gij zijt duur gekocht' (1 Korinthe 6:20), schrijft Paulus. Welke prijs dat was, zegt Petrus: niet met zilver of goud, maar met het dierbaar bloed van Christus (1 Petrus 1:18-19).
De tekst begint dus bij het evangelie, bij wat Christus deed. Hij heeft Zijn lichaam gegeven, opdat de Zijnen met lichaam en ziel van Hem zouden zijn. Reinheid is daarom een vrucht van dankbaarheid bij wie al gekocht is; met verdienste heeft zij niets te maken.
Dat is ook een troost voor wie met zijn lichaam gezondigd heeft. Paulus schrijft aan dezelfde gemeente, na een lijst van zonden waaronder hoererij: 'En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd' (1 Korinthe 6:11). De Heilige Geest woont in zondaren die Christus gewassen heeft. Wie zijn zonden belijdt, mag weten dat God getrouw is om te vergeven en te reinigen (1 Johannes 1:9). Wat een ander u tegen uw wil heeft aangedaan, is niet uw zonde en maakt u niet onrein voor God. Draagt u zoiets mee, spreek er dan over met uw predikant, ouderling of huisarts.
En het lichaam heeft een toekomst. God, Die Christus uit de doden opwekte, zal door Zijn Geest Die in de gelovige woont ook zijn sterfelijk lichaam levend maken (Romeinen 8:11). God laat Zijn tempel niet in het graf achter.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus legt het zevende gebod (Exodus 20:14) uit met juist deze tekst uit 1 Korinthe 6. In Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus staat: 'Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 41, vraag 109). Daarom gaat het gebod volgens de catechismus verder dan daden alleen: het raakt ook gebaren, woorden, gedachten en lusten.
Al in de eerste vraag van de catechismus klinkt hetzelfde eigendom. De gelovige is met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom van zijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus (HC Zondag 1, vraag 1). Datzelfde antwoord noemt de Heilige Geest als Degene Die de gelovige van harte bereid maakt om voortaan voor Christus te leven.
Artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat het ware geloof, door het horen van Gods Woord en de werking van de Heilige Geest in de mens gewerkt, hem tot een nieuw mens maakt en doet leven in een nieuw leven. De goede werken die daaruit voortkomen, verdienen niets bij God; het is Zijn genade die ze in ons werkt.
'zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn' (1 Korinthe 6:20)