Wie in de klas, op een verjaardag of op internet hoort dat Jezus een verzonnen figuur zou zijn, wil weten hoe het zit. Het is een eerlijke vraag, die het christelijk geloof niet hoeft te ontwijken. Het evangelie gaat over Iemand Die op een aanwijsbare plaats en in een aanwijsbare tijd heeft geleefd. Hier leest u wat de Bijbel zegt, welke bronnen buiten de Bijbel Jezus noemen, wat de evangeliën en Paulus als bronnen waard zijn, en waarom weten nog geen geloven is.
Wat zegt de Bijbel zelf over het bestaan van Jezus?
De schrijvers van het Nieuwe Testament presenteren hun boodschap als geschiedenis. Lukas begint zijn evangelie met een verantwoording: anderen hadden al verslag gedaan van wat ooggetuigen hadden overgeleverd, en hij had alles van voren aan nauwkeurig onderzocht. Hij schrijft aan Theofilus, 'Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt' (Lukas 1:4). Meer daarover staat in de uitleg van Lukas 1.
Lukas plaatst het optreden van Johannes de Doper en van Jezus ook precies in de tijd: 'En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea' (Lukas 3:1). Hij noemt daarna nog Herodes, Filippus, Lysanias en de hogepriesters Annas en Kajafas. Een sprookje speelt zich af in een land zonder naam; Lukas noemt namen die zijn lezers konden controleren.
De apostelen wisten dat er verschil is tussen een mooi verhaal en een getuigenis. Petrus schrijft: 'Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd' (2 Petrus 1:16), en hij voegt eraan toe dat zij aanschouwers zijn geweest van Zijn majesteit. Johannes spreekt over het Woord des levens, 'hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben' (1 Johannes 1:1). Zo spreekt men over een Persoon van vlees en bloed.
Is er bewijs dat Jezus heeft bestaan buiten de Bijbel?
Ja. Een paar schrijvers uit de eerste en vroege tweede eeuw die zelf geen christen waren, noemen Jezus of Zijn volgelingen. Zij zijn waardevol omdat zij de christenen eerder wantrouwden dan steunden.
- Tacitus, de Romeinse geschiedschrijver, schrijft rond het jaar 116 in zijn Annalen (boek 15, hoofdstuk 44) over de brand van Rome in het jaar 64. Keizer Nero schoof de schuld af op de christenen. Tacitus legt uit dat hun naam komt van Christus, Die onder keizer Tiberius door Pontius Pilatus ter dood was gebracht. Hij noemt het christendom een verderfelijk bijgeloof; van vriendelijkheid is dus geen sprake.
- Flavius Josephus, een Joodse geschiedschrijver, noemt Jezus twee keer in zijn Joodse Oudheden (rond het jaar 93). In boek 20 vertelt hij hoe de hogepriester Ananus een zekere Jakobus liet stenigen, en hij noemt hem de broer van Jezus, Die Christus genoemd werd. Die plaats geldt bij historici algemeen als echt. In boek 18 staat een langere passage over Jezus als een wijs man, Die door Pilatus werd gekruisigd. Daarin staan zinnen die een Jood als Josephus moeilijk zelf kan hebben geschreven, zoals dat Hij de Christus was. Veel onderzoekers denken daarom dat christelijke overschrijvers de tekst hebben aangevuld, en dat er een kern van Josephus zelf onder ligt. Hoeveel er precies is toegevoegd, blijft onderwerp van discussie.
- Plinius de Jongere, Romeins stadhouder in Bithynië, schrijft rond het jaar 112 aan keizer Trajanus (Brieven, boek 10, brief 96) dat christenen op een vaste dag voor zonsopgang samenkomen en een lied zingen voor Christus als voor een god. Dat zegt vooral iets over de eerste christenen, minder over het leven van Jezus Zelf.
Daarbij komt de archeologie. In 1961 werd in Caesarea een steen gevonden met de naam van Pontius Pilatus, de stadhouder die Lukas (Lukas 3:1) en Tacitus allebei noemen. Meer over zulke vondsten leest u in het artikel over bijbelse archeologie.
Hoe betrouwbaar zijn de evangeliën en de brieven van Paulus?
De oudste en uitvoerigste bronnen over Jezus staan in de Bijbel zelf. Ook wie de Bijbel niet als Gods Woord leest, kan ze niet wegzetten als late fantasie. De brieven van Paulus zijn volgens de gangbare datering geschreven tussen ongeveer 50 en 60, twintig tot dertig jaar na de kruisiging. Paulus vertelt dat hij drie jaar na zijn bekering in Jeruzalem vijftien dagen bij Petrus verbleef, en hij zegt erbij: 'En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren' (Galaten 1:19). Paulus kende dus mensen die Jezus persoonlijk hadden gekend, onder wie een broer van Jezus.
De evangeliën zijn geschreven in de tweede helft van de eerste eeuw, toen veel ooggetuigen nog leefden. Paulus schrijft over de meer dan vijfhonderd die de opgestane Heere hadden gezien, dat het merendeel van hen nog in leven was (1 Korinthe 15:6). Bovendien zijn er van het Nieuwe Testament ruim vijfduizend oude Griekse handschriften bewaard, veel meer dan van de meeste werken uit de oudheid.
Heeft Jezus echt bestaan, of is Hij een mythe?
Er zijn schrijvers die beweren dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de evangeliën een mythe in historische kleren zijn. Onder historici vindt die stelling weinig steun. Vrijwel alle historici, ook niet-christelijke, gaan ervan uit dat Jezus van Nazareth in de eerste eeuw heeft geleefd, in Galilea heeft geleerd en onder Pontius Pilatus is gekruisigd. Waar zij over verschillen, is wat Hij gedaan heeft en Wie Hij is.
Opvallend is ook wat de tegenstanders van het eerste uur deden. Zij bestreden Zijn woorden, Zijn wonderen en Zijn opstanding; de overpriesters lieten na Pasen rondvertellen dat de discipelen het lichaam gestolen hadden (Mattheüs 28:13). Dat Hij bestaan had, trekt geen van de oude bronnen in twijfel. Paulus kon voor koning Agrippa zeggen: 'want dit is in geen hoek geschied' (Handelingen 26:26). Wie wil weten wat de Bijbel over Zijn leven, sterven en opstanding vertelt, vindt het overzicht op de pagina over Jezus Christus.
Is weten dat Jezus bestaan heeft genoeg om te geloven?
Historisch onderzoek kan vaststellen dat Jezus geleefd heeft en gekruisigd is. Dat Hij de Zoon van God is en dat Zijn dood verzoening brengt, laat zich niet uit oude archieven afleiden. Jakobus schrijft dat zelfs de duivelen geloven dat God één is, en sidderen (Jakobus 2:19): kennis alleen redt niemand. Het geloof is meer dan instemmen met een historisch feit. De Heidelbergse Catechismus noemt het waar geloof 'een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard' en ook 'een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 7, vraag 21).
Dat geloof komt uit het gehoor van het Woord van God (Romeinen 10:17). Jezus zei tegen Thomas dat zij zalig zijn die niet gezien hebben en toch geloofd hebben (Johannes 20:29). Wel laten de historische gegevens zien dat het evangelie geworteld is in wat werkelijk gebeurd is; wie gelooft, gelooft geen verzinsel. Wie verder vraagt naar de kern daarvan, leest bij de vraag of Jezus echt is opgestaan hoe het met het lege graf en de getuigen zit. Houdt deze vraag u of uw kind bezig, dan kunt u er ook met uw predikant of ouderling over spreken.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De kerk heeft haar geloof altijd aan de geschiedenis vastgeknoopt. In de Twaalf Artikelen belijdt zij dat Christus geleden heeft onder Pontius Pilatus: de naam van een Romeinse bestuurder staat midden in de geloofsbelijdenis. Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 38) legt uit waarom dat zo belangrijk is: Christus is 'onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 15, vraag 38), om ons van het strenge oordeel van God te bevrijden. In Zondag 14 (vraag 35) belijdt de kerk dat de eeuwige Zoon van God de ware menselijke natuur heeft aangenomen uit het vlees en bloed van de maagd Maria.
Artikel 18 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat God Zijn belofte vervuld heeft door Zijn Zoon te zenden, Die een waarachtige menselijke natuur aannam, met een echt lichaam en een echte ziel, en Zijn broeders in alles gelijk werd, uitgenomen de zonde. Artikel 19 belijdt dat in Hem de goddelijke en de menselijke natuur in één Persoon verenigd zijn. Wie Jezus tot een idee of een mythe maakt, verliest dus de Middelaar Zelf.
'Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam' (Johannes 20:31)