Inleiding tot Hebreeën 1
Hebreeën hoofdstuk 1 vormt een krachtige opening van deze Brief aan de Hebreeën. De schrijver begint meteen met een van de mooiste passages in het Nieuwe Testament over wie Jezus Christus werkelijk is. Dit hoofdstuk laat zien dat Christus niet alleen een profeet of leraar is, maar Gods definitieve en volledige openbaring aan de mensheid.
God spreekt door zijn Zoon (verzen 1-3)
De brief begint met de woorden: 'Nadat God vroeger op velerlei wijze en op verschillende tijden tot de vaderen had gesproken door de profeten, heeft hij in deze laatste tijd tot ons gesproken door een Zoon.' Deze opening maakt duidelijk dat er een ontwikkeling is geweest in Gods openbaring. Waar God vroeger sprak door profeten, spreekt Hij nu door zijn Zoon.
De schrijver beschrijft Christus met drie belangrijke titels:
- Hij is 'erfgenaam van alles'
- Door Hem zijn 'de werelden gemaakt'
- Hij is 'de uitstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen'
Deze beschrijving toont aan dat Jezus niet alleen mens is, maar ook volledig God. Hij is de perfecte afspiegeling van wie God is.
Christus hoger dan de engelen (verzen 4-14)
Het grootste deel van hoofdstuk 1 wijdt de schrijver aan het bewijzen dat Christus hoger is dan de engelen. Dit was belangrijk voor de Joodse lezers, omdat engelen in het Jodendom een zeer hoge status hadden. Ze werden gezien als Gods boodschappers en waren betrokken bij het geven van de wet op de berg Sinaï.