Inleiding tot Romeinen 3
Romeinen hoofdstuk 3 vormt een cruciaal keerpunt in Paulus' brief aan de Romeinen. Na in hoofdstuk 1 en 2 te hebben aangetoond dat zowel heidenen als Joden onder de zonde staan, bereikt Paulus nu de climax van zijn betoog: alle mensen zijn zondaars en hebben Gods rechtvaardigheid nodig.
De Bevoorrechte Positie van Israël (verzen 1-8)
Paulus begint met het beantwoorden van mogelijke bezwaren tegen zijn eerdere argumentatie. 'Wat is dan het voordeel van de Jood?' vraagt hij retorisch. Ondanks zijn harde woorden over de zonde blijft Israël een bevoorrechte positie behouden. Het belangrijkste voordeel is dat 'aan hen Gods woorden zijn toevertrouwd' (vers 2).
De apostel erkent dat God trouw blijft aan Zijn beloften, zelfs wanneer mensen ontrouw zijn. Gods rechtvaardigheid wordt niet tenietgedaan door menselijke zonde, maar wordt er juist door bevestigd. Dit laat zien dat God zowel rechtvaardig als barmhartig is.
Alle Mensen Onder de Zonde (verzen 9-20)
In deze sectie presenteert Paulus zijn meest vernietigende diagnose van de menselijke conditie. Hij stelt ondubbelzinnig vast: 'Allen staan onder de macht van de zonde' (vers 9). Dit geldt voor Joden en heidenen zonder onderscheid.
Paulus ondersteunt zijn stelling met een krachtige reeks citaten uit het Oude Testament (Psalmen en Jesaja), waarin hij een sombere beschrijving geeft van de menselijke natuur: