Weinig vragen gaan zo diep als deze. Wie in een christelijk gezin is opgegroeid, kent het Evangelie vaak al lang, en vraagt zich toch af: geldt het ook voor mij? Anderen zijn pas tot geloof gekomen en schrikken van hun eigen zonden. Hier leest u wat de Bijbel zegt over de zekerheid van het geloof, waar die zekerheid op rust, welke plaats de vruchten hebben en waarom ook ware gelovigen soms twijfelen.
Wat zegt de Bijbel over de zekerheid van het geloof?
De Bijbel gaat ervan uit dat een gelovige mag weten dat hij behouden is. De apostel Johannes schreef zijn eerste brief juist met dat doel: 'Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt' (1 Johannes 5:13). Het gaat Johannes om weten, en dat weten rust op het getuigenis dat God van Zijn Zoon gegeven heeft. In de uitleg van 1 Johannes 5 leest u het hele verband: wie de Zoon heeft, heeft het leven.
Ook Paulus spreekt helder. Wie met de mond de Heere Jezus belijdt en met het hart gelooft dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zal zalig worden (Romeinen 10:9). De belofte is niet gebonden aan een bepaalde mate van gevoel, kennis of heiligheid. Zij is gebonden aan Christus, in Wie God de zondaar rechtvaardigt.
Tegelijk waarschuwt de Bijbel tegen valse zekerheid. De Heere Jezus spreekt over mensen die op de laatste dag zeggen dat zij in Zijn Naam profeteerden en wonderen deden, terwijl Hij hen nooit gekend heeft (Mattheüs 7:22-23). Daarom roept Paulus op tot zelfonderzoek (2 Korinthe 13:5). Zekerheid en zelfonderzoek staan in de Bijbel naast elkaar.
Waar is heilszekerheid op gegrond?
De eerste grond van heilszekerheid ligt buiten de mens: in Christus en in Gods beloften. Het werk dat behoudt, is door Christus volbracht. Het geloof voegt daar niets aan toe; het ontvangt wat God geeft. Waarom goede werken daarbij geen grond zijn, leest u bij de vraag of wij gered worden door geloof of door werken. Daarom is de belangrijkste vraag op Wie uw geloof rust, en pas daarna hoe sterk het is.
De Heere Jezus geeft daarbij een belofte zonder voorwaarde van waardigheid: 'die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen' (Johannes 6:37). Wie met zijn zonden tot Christus vlucht, hoeft niet eerst te bewijzen dat hij welkom is. De brief aan de Hebreeën zegt dat God Zijn belofte met een eed bevestigd heeft, zodat wie de toevlucht tot Hem neemt een sterke vertroosting heeft om de voorgestelde hoop vast te houden. Die hoop noemt de brief een anker der ziel, zeker en vast (Hebreeën 6:17-19). Een anker houdt het schip vast, ook als de golven hoog gaan.
Wie zekerheid zoekt in zijn eigen gevoel, raakt haar vaak kwijt, want gevoelens wisselen. Wie zich aan de beloften van God vasthoudt, staat op een grond die niet beweegt.
Wat is het getuigenis van de Heilige Geest?
Naast de belofte noemt de Bijbel het werk van de Heilige Geest. Paulus schrijft: 'Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn' (Romeinen 8:16). Dat getuigenis is geen nieuwe openbaring naast de Bijbel, geen stem of droom die zegt dat iemand uitverkoren is. De Geest werkt door het Woord. Hij opent het hart voor de beloften, zodat een mens ze voor zichzelf aanneemt en God als Vader aanroept (Romeinen 8:15).
Paulus noemt de Geest ook een zegel: wie geloofd heeft, is verzegeld met de Heilige Geest der belofte (Efeze 1:13). Een zegel bevestigt wat al waar is (zie ook wat het betekent verzegeld te zijn met de Heilige Geest). Het getuigenis van de Geest is daarom geen tweede grond naast Christus. Het is de bevestiging van Gods beloften in het hart.
Hoe weet ik of ik bekeerd ben?
De Bijbel noemt ook kenmerken van het nieuwe leven. Johannes schrijft: 'Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben' (1 Johannes 3:14). En Petrus spoort aan: 'benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken' (2 Petrus 1:10).
Welke vruchten bedoelt de Schrift? Onder meer:
- droefheid over de zonde, omdat zij tegen God is (Psalm 51:6);
- honger en dorst naar de gerechtigheid, ook bij een zwak geloof (Mattheüs 5:6);
- liefde tot God en tot Zijn kinderen (1 Johannes 3:14);
- het verlangen om naar Gods geboden te leven (Psalm 119:5);
- strijd tegen de zonde, ook als die strijd zwaar is (Romeinen 7:24-25).
Deze vruchten zijn een bevestiging, geen grond. Niemand wordt behouden omdat hij genoeg vruchten ziet. Wie alleen naar zichzelf kijkt, vindt altijd ook zonde en kan zo in een kringloop van zelfonderzoek terechtkomen. De vruchten wijzen terug naar de boom: zij laten zien dat Christus aan het werk is. Juist wie droefheid naar God heeft over zijn zonden en hongert naar de gerechtigheid die in Christus is, mag daarin een spoor van Gods werk zien (Dordtse Leerregels I, artikel 12).
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen geloven dat een mens alleen door Christus behouden wordt. Over de vraag of en hoe een gelovige daarvan zeker kan zijn, verschillen zij.
- Rooms-katholiek: het Concilie van Trente (zesde zitting, 1547) leerde dat niemand met de zekerheid van het geloof kan weten dat hij Gods genade ontvangen heeft (hoofdstuk 9), en dat niemand zonder bijzondere openbaring zeker kan weten dat hij tot de uitverkorenen behoort (hoofdstuk 12). Een gelovige mag wel op Gods barmhartigheid hopen.
- Remonstrants: omdat een ware gelovige volgens deze lijn kan afvallen, is er wel zekerheid van het huidige geloof, maar geen zekerheid van volharding. De Dordtse Leerregels wijzen dat af. Over die volharding zelf gaat de vraag of een gelovige zijn redding kan verliezen.
- Reformatorisch: de zekerheid hoort bij het geloof, omdat het geloof op Gods beloften rust, en God bewaart de Zijnen tot het einde (Johannes 10:28).
Ook binnen de reformatorische kerken liggen de accenten verschillend. In de bevindelijke traditie wordt zorgvuldig onderscheiden tussen het ware geloof en de volle verzekering. Een gelovige kan de toevlucht genomen hebben tot Christus en toch lang strijden voordat hij zijn deel aan Hem durft te geloven. Wie wel naar Christus uitziet en nog geen vrijmoedigheid heeft om Hem als de zijne te omhelzen, wordt daar vaak kleingelovig genoemd. Daarom krijgen de kenmerken van Gods werk en de waarschuwing tegen valse zekerheid veel aandacht. In de meer verbondsmatige benadering ligt de nadruk op de beloften die in de doop betekend en verzegeld zijn: de hoorder wordt geroepen die beloften in geloof aan te nemen, en de zekerheid wordt gezocht in Christus Zelf. Beide lijnen willen het geloof op Christus richten en voor zelfbedrog waarschuwen. Hoe uw eigen kerk hierin staat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 21) beschrijft het ware geloof als kennis en een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie werkt, namelijk 'dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 7, vraag 21). Persoonlijke toe-eigening hoort bij het geloof zelf. HC Zondag 32 (vraag 86) noemt als een van de redenen voor goede werken 'opdat wij bij onszelven van ons geloof uit de vruchten verzekerd zijn' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 32, vraag 86).
De Dordtse Leerregels spreken er uitvoerig over. In hoofdstuk V, artikel 9 en 10 belijden zij dat gelovigen van hun bewaring en volharding verzekerd kunnen zijn, naar de mate van hun geloof. Die verzekering komt niet uit een bijzondere openbaring buiten het Woord. Zij komt uit het geloof in Gods beloften, uit het getuigenis van de Heilige Geest met onze geest (Romeinen 8:16), en uit een ernstige oefening van een goed geweten en goede werken. Artikel 11 erkent eerlijk dat gelovigen in dit leven met twijfel strijden en in zware aanvechting die volle verzekering niet altijd gevoelen, en dat God hen daarin niet loslaat. In hoofdstuk I, artikel 12 staat dat de uitverkorenen van hun verkiezing verzekerd worden doordat zij de vruchten van de verkiezing die het Woord aanwijst bij zichzelf opmerken, zonder Gods verborgenheden nieuwsgierig te doorzoeken: het ware geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid naar God over de zonde en honger en dorst naar de gerechtigheid.
Als deze vraag u persoonlijk raakt
Leest u dit omdat u zelf geen zekerheid hebt, of houdt de vraag u al jaren bezig? Dat is geen teken dat God u vergeten is. In de Bijbel zijn twijfelende mensen niet weggestuurd. De vader van een zieke jongen riep tot de Heere Jezus: 'Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp' (Markus 9:24). Hij werd niet afgewezen. Over de Messias staat geschreven: 'Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen' (Jesaja 42:3).
Klaagt uw hart u aan, dan mag u bedenken dat God meerder is dan ons hart en alle dingen kent (1 Johannes 3:19-20). Blijf niet alleen in uzelf zoeken. Lees en hoor Gods beloften, bid om de Heilige Geest (Lukas 11:13) en zoek Christus in Zijn Woord. Meer teksten vindt u bij bijbelteksten over twijfel.
Spreek erover met uw predikant, een ouderling of een vertrouwd gemeentelid. Zij kunnen met u meedenken en met u bidden. Merkt u dat twijfel en angst over uw behoud u blijven achtervolgen, dat gedachten over zonde zich steeds opdringen of dat u er slecht van slaapt, bespreek dat dan ook met uw huisarts. Zulke angst kan een psychische kant hebben, en hulp zoeken is geen gebrek aan geloof. Uw huisarts kan u zo nodig verwijzen, ook naar christelijke hulpverlening zoals Eleos of De Hoop ggz.
Zoekt u dit op voor uw kind of voor iemand in uw omgeving, wijs dan vooral op Christus en Zijn beloften en minder op wat de ander zelf moet voelen, en neem gerust samen contact op met de predikant.
Ook Paulus zocht zijn zekerheid in Hem Die bewaart:
'want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag' (2 Timotheüs 1:12)