Wie 's nachts naar de sterrenhemel kijkt, vraagt zich al snel af of de aarde de enige bewoonde plek is. Films over aliens, verhalen over ufo's en het zoeken naar planeten bij andere sterren houden die vraag levend. Voor een christen komt er een tweede vraag bij: hoe past dat bij wat de Bijbel over de schepping en over Christus zegt? Hieronder leest u wat de Schrift wel en niet zegt, waar christenen verschillen en wat de belijdenisgeschriften vastleggen.
Wat zegt de Bijbel over buitenaards leven?
De Bijbel zegt er niets over: hij noemt geen bewoners van andere planeten en spreekt ook niet uitdrukkelijk uit dat ze niet kunnen bestaan. Wat de Schrift wel zegt, is dat alles wat er is, van God komt: 'In den beginne schiep God den hemel en de aarde' (Genesis 1:1). Die hemel omvat ook de maan en de sterren, die God op de vierde dag maakte (Genesis 1:16).
De Bijbel is geschreven om God en Zijn weg tot behoud bekend te maken. Over veel dingen waar mensen nieuwsgierig naar zijn, zwijgt hij. Mozes zegt het zo: 'De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen' (Deuteronomium 29:29). Wie over buitenaards leven spreekt alsof de Bijbel het leert of verbiedt, zegt meer dan er staat.
Soms wordt Johannes 10:16 aangehaald, waar de Heere Jezus spreekt over andere schapen die van deze stal niet zijn. In het verband gaat het daar over gelovigen uit de heidenen, die met de gelovigen uit Israël één kudde onder één Herder worden. Het vers zegt niets over andere werelden.
Waarom maakte God het heelal zo groot?
De Bijbel geeft geen natuurkundige verklaring, wel een doel. 'De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk' (Psalm 19:2). De sterren prediken in de eerste plaats Gods grootheid; over bewoners zegt de psalm niets. De HEERE kent ze elk afzonderlijk: Hij telt het getal der sterren en noemt ze allen bij namen (Psalm 147:4).
David kijkt in Psalm 8 omhoog naar de hemel en is diep onder de indruk: 'Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt' (Psalm 8:4). Direct daarop volgt zijn verwondering: 'Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt' (Psalm 8:5). De grootte van het heelal maakt de mens klein, en juist die kleine mens wil God gedenken. De brief aan de Hebreeën haalt deze psalm aan en ziet hem vervuld in Christus, Die mens werd (Hebreeën 2:6-9). In de uitleg van Psalm 8 leest u deze psalm vers voor vers.
Over de aarde zegt Jesaja dat de HEERE haar niet leeg schiep: Hij 'heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou' (Jesaja 45:18). Psalm 115:16 zegt het met andere woorden: de hemel is des HEEREN, de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven. In de Bijbel is de aarde het toneel van schepping, zondeval en verlossing.
Aliens en de Bijbel: kunnen schepselen op andere planeten verlost worden?
Hier ligt het eigenlijke theologische punt. Toen de Zoon van God mens werd, nam Hij een bepaalde natuur aan. De brief aan de Hebreeën zegt: 'Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan' (Hebreeën 2:16). Christus werd mens om mensen te verlossen, als Zoon van Adam en Zoon van Abraham. Hij is eenmaal geopenbaard, in de voleinding der eeuwen, om de zonde te niet te doen door Zijn eigen offer (Hebreeën 9:26).
Daaruit volgt niet automatisch dat er nergens anders leven is. Wel volgt eruit dat de Bijbel geen tweede verlossingsgeschiedenis kent, voor andere wezens op een andere planeet. Het offer van Christus is eenmalig; de Schrift kent geen tweede menswording of tweede kruis. Voor wezens die net als de mens gevallen zouden zijn, maakt de Bijbel geen weg tot behoud bekend. Paulus spreekt wel over de hele schepping die zucht en uitziet naar de vrijmaking (Romeinen 8:21-22), en over Christus, door Wie alle dingen geschapen zijn, zienlijk en onzienlijk (Kolossenzen 1:16). De tronen en heerschappijen die hij daar noemt, zijn volgens de kanttekeningen de engelen; over andere werelden spreekt hij niet.
Ufo's en de Bijbel: wat moet een christen ervan denken?
Ufo betekent letterlijk een niet-geïdentificeerd vliegend object: iets in de lucht dat de waarnemer niet kan thuisbrengen. Dat zegt nog niets over bezoekers van elders. Tot nu toe is nergens buiten de aarde leven aangetoond. Een christen hoeft daarom niet ongerust of in de war te raken door elk bericht. De HEERE regeert over hemel en aarde. Paulus roept op alle dingen te beproeven en het goede te behouden (1 Thessalonicenzen 5:21). Nuchter blijven, navragen wat er werkelijk gezien is, en niet alles geloven wat rondgaat, past bij die raad.
Sommige christenen wijzen erop dat verhalen over contact met aliens vaak trekken hebben van occultisme: boodschappen uit de hemel die het evangelie vervangen. Zij herinneren aan de waarschuwing dat men de geesten moet beproeven, of zij uit God zijn (1 Johannes 4:1). Dat is een uitleg en geen bijbelse uitspraak over ufo's; het helpt wel om zulke boodschappen te toetsen aan het Woord. Hoe Schrift en natuuronderzoek zich verder tot elkaar verhouden, leest u in het artikel over Bijbel en wetenschap.
Waar christenen verschillen
Wat vaststaat, delen alle bijbelgetrouwe christenen: God schiep alles, het heelal vertelt Zijn eer, en de mens is door de zonde gevallen en wordt alleen door Christus verlost. Over buitenaards leven lopen de opvattingen uiteen:
- Een open houding: God is vrij om ook elders leven te scheppen, en de grootte van het heelal past bij Zijn rijkdom. De Britse schrijver C.S. Lewis werkte dit uit in zijn essay Religion and Rocketry (in The World's Last Night, 1960): als er redelijke wezens bestaan, zijn ze misschien nooit in zonde gevallen. Hij waarschuwde dat de mens ze dan niet zou mogen uitbuiten.
- Een gesloten houding: de aarde is geformeerd om bewoond te worden (Jesaja 45:18), Christus nam het zaad Abrahams aan (Hebreeën 2:16) en de vloek van de zondeval trof de hele schepping (Romeinen 8:20-22). Wie zo redeneert, houdt het voor onwaarschijnlijk dat er redelijke wezens buiten de aarde zijn.
- Een terughoudende houding: de Bijbel zwijgt, dus maakt de kerk er geen leerstuk van. Eenvoudig leven, zoals micro-organismen, raakt de verlossingsleer nauwelijks; redelijke, zondige wezens zouden dat wel doen.
Reformatorische uitleggers leggen de nadruk vaak op de terughoudende of de gesloten lijn, omdat de Schrift de aarde en de mens in het midden van Gods werk plaatst. Wie een andere mening heeft over iets waarover de Bijbel zwijgt, is daarom nog geen ongelovige. Meer over hoe christenen naar de oorsprong van de wereld kijken, leest u bij de vraag hoe oud de aarde volgens de Bijbel is en bij het onderwerp schepping.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenis volgt de Schrift, die zegt dat door het Woord des HEEREN de hemelen gemaakt zijn (Psalm 33:6). Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de Vader door het Woord hemel en aarde en alle schepselen uit niets geschapen heeft, en dat Hij elk schepsel zijn wezen, gestalte en taak gaf om zijn Schepper te dienen. Ook de engelen worden daar genoemd; over bewoners van andere werelden zwijgt het artikel, net als de Bijbel.
In Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 26) belijdt de gelovige dat God 'hemel en aarde met al wat er in is uit niet geschapen heeft'. Over de verlossing zegt Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 16) dat de Middelaar een waarachtig mens moest zijn, 'omdat de gerechtigheid Gods eiste, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde'. Daar ligt de kern: wie de sterren ziet en zich klein voelt, mag weten dat God in Christus naar mensen omziet.
'Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir' (Psalm 33:6)