Op school, in natuurprogramma's en in de krant wordt evolutie meestal gebracht als de verklaring van alles wat leeft. Veel christelijke jongeren en ouders vragen zich daarom af of zij moeten kiezen tussen de biologieles en het boek Genesis. Op deze pagina leest u wat er met evolutie bedoeld wordt, wat de Bijbel zegt over het ontstaan van planten, dieren en de mens, waar die twee met elkaar botsen en waarom reformatorische kerken ook de middenweg van theïstische evolutie afwijzen.
Wat is de evolutietheorie precies?
Het woord evolutie wordt voor twee verschillende dingen gebruikt, en dat onderscheid maakt het gesprek veel helderder.
- Variatie binnen soorten en groepen: dieren en planten veranderen binnen hun soort of groep. Vinkensnavels worden groter of kleiner, bacteriën worden ongevoelig voor antibiotica, en uit één soort hond zijn honderden rassen gefokt. Dit is waarneembaar, en christenen en evolutionisten erkennen het allebei.
- Gemeenschappelijke afstamming: de leer dat alle leven, van bacterie tot mens, in miljarden jaren door toevallige erfelijke veranderingen en natuurlijke selectie uit één eencellige voorouder is ontstaan. Daarin hebben mens en mensaap een gemeenschappelijke voorouder.
Het eerste staat niet op gespannen voet met de Bijbel. Genesis zegt dat God de dieren schiep naar hun aard (Genesis 1:25), en binnen die aard heeft Hij grote verscheidenheid gelegd. Het gesprek over evolutie en geloof gaat over het tweede: de vraag of alle leven, ook de mens, uit één eencellige voorouder is voortgekomen.
Wat zegt de Bijbel over evolutie?
De Bijbel is geen biologieboek. Wel zegt zij duidelijk hoe de wereld ontstond: door het spreken van God. 'Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid' (Hebreeën 11:3). De psalmdichter zegt hetzelfde: God sprak, en het was er (Psalm 33:9). Schepping is in de Schrift het werk van Gods Woord, geen proces dat de natuur zelf voltrekt.
Over de dieren staat er: 'De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard!' (Genesis 1:24). Dat 'naar zijn aard' komt in Genesis 1 telkens terug, bij planten, vissen, vogels en landdieren. Dat woord valt niet precies samen met wat een bioloog nu een soort noemt. Wel zegt het dat God de grote groepen van levende wezens elk afzonderlijk schiep. Aan het eind van de zesde dag zag God alles wat Hij gemaakt had, en het was zeer goed (Genesis 1:31). Meer over dit hoofdstuk leest u in de uitleg van Genesis 1.
Stamt de mens volgens de Bijbel af van een dier?
Nee. Bij de mens vertelt de Bijbel iets bijzonders: 'En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel' (Genesis 2:7). Adam komt niet uit een dierlijke voorouder voort; God vormt hem uit het stof en geeft hem zelf het leven. Eva bouwt Hij uit de rib die Hij van Adam genomen had (Genesis 2:22). Alleen van de mens staat dat hij geschapen is naar Gods beeld (Genesis 1:27).
Het Nieuwe Testament leest dit als geschiedenis. Lukas laat het geslachtsregister van de Heere Jezus teruglopen tot Adam, de zoon van God (Lukas 3:38). Paulus zegt in Athene dat God uit één bloed het hele geslacht van de mensen gemaakt heeft (Handelingen 17:26). En de Heere Jezus Zelf beroept Zich op het begin: God heeft de mens van den beginne man en vrouw gemaakt (Mattheüs 19:4). Of Adam en Eva echt geleefd hebben, wordt verder besproken bij de vraag waren Adam en Eva echte mensen.
Waar botsen evolutie en geloof?
Het diepste punt van botsing tussen de evolutietheorie en de Bijbel is de dood. In die theorie zijn dood, ziekte en strijd om het bestaan de motor van de ontwikkeling, miljoenen jaren voordat er mensen waren. De Bijbel zegt dat de schepping zeer goed was (Genesis 1:31) en dat de dood van de mens door de zonde binnenkwam: 'Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood' (Romeinen 5:12). Ook het zuchten van de hele schepping verbindt Paulus met de val (Romeinen 8:20-22).
Daar hangt het evangelie aan. Paulus zet Adam en Christus naast elkaar: 'Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden' (1 Korinthe 15:22). Christus heet zelfs de laatste Adam (1 Korinthe 15:45). Als er geen eerste mens was die viel, en als de dood er altijd al was, wordt onduidelijk wat Christus kwam herstellen. Dat is de reden dat deze vraag voor christenen meer is dan een discussie over biologie.
Waar christenen verschillen
Alle christenen belijden dat God de Schepper is van hemel en aarde en dat de mens Zijn schepsel is. Over de manier en de tijd van de schepping lopen de opvattingen uiteen. Een bredere bespreking staat in het blogartikel over de Bijbel en de wetenschap.
- Jonge-aardecreationisme: God schiep in zes gewone dagen, enkele duizenden jaren geleden; er was geen dood vóór de zondeval. Aanhangers wijzen op Exodus 20:11 en op de geslachtsregisters van Genesis 5 en 11.
- Oude-aardecreationisme: de aarde en het heelal zijn zeer oud en de scheppingsdagen worden als lange perioden of als een literaire indeling gelezen, maar God schiep de grote groepen van planten en dieren en de mens zelf rechtstreeks. Adam en Eva zijn historische personen. Wie zo denkt, neemt meestal aan dat er vóór de val al dieren stierven; reformatorische uitleggers wijzen dat in de regel af om Genesis 1:31 en Romeinen 8:20-22.
- Theïstische evolutie: God gebruikte het proces van evolutie om alle leven voort te brengen, ook de mens. Aanhangers lezen Genesis 1 tot 3 als een verhaal over de betekenis van de schepping, niet als een verslag van de gebeurtenissen; Adam is dan een symbool of een gekozen mens uit een bestaande groep.
Hoe oud de aarde is en hoe de scheppingsdagen gelezen moeten worden, wordt besproken bij de vraag hoe oud de aarde is volgens de Bijbel. Reformatorische kerken houden, in lijn met artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, vast aan de rechtstreekse schepping van de mens en aan een historische Adam, en wijzen theïstische evolutie daarom af. De reden kwam hierboven al aan bod: deze opvatting kan de mens uit het stof, de goede schepping en de dood als gevolg van de zonde niet laten staan zoals de Schrift ze geeft. Dat iemand hierin anders denkt, maakt hem nog geen ongelovige: een mens wordt behouden door het geloof in Christus, niet door een volmaakt begrip van alles wat de Schrift zegt. Wel is het een verschil dat de kern raakt, omdat het evangelie van de laatste Adam steunt op de geschiedenis van de eerste.
Wie op school of in een studie met evolutie te maken krijgt, kan leren wat de theorie zegt en daarover een toets maken zonder haar te geloven. Wie er door gaat twijfelen, hoeft dat niet weg te stoppen: vragen stellen is geen ongeloof. Praat erover met uw ouders, met de predikant of met een ouderling.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de Vader door Zijn Woord, dat is door de Zoon, hemel en aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, en aan elk schepsel zijn wezen, gedaante en gestalte en een eigen taak heeft gegeven om zijn Schepper te dienen. Artikel 14 zegt dat God de mens uit het stof der aarde heeft gemaakt en geformeerd naar Zijn beeld, goed, rechtvaardig en heilig, en dat de mens zich door moedwillige ongehoorzaamheid aan de zonde en daardoor aan de dood heeft onderworpen. Beide artikelen volgen de Schrift op de voet (Genesis 2:7, Hebreeën 11:3).
Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus antwoordt op de vraag of God de mens boos en verkeerd geschapen heeft: 'God heeft den mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 3, vraag 6). De verdorvenheid komt volgens vraag 7 'van den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 3, vraag 7). De kerk belijdt dus een goed begin, een echte val en een echte Verlosser.
'want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen' (Openbaring 4:11)