Bestaat God eigenlijk wel? Die vraag stellen gelovigen in een donkere tijd, jongeren op school en mensen die nooit in een kerk kwamen. Het is een eerlijke vraag, en de Bijbel gaat er niet aan voorbij. Op deze pagina leest u wat de Schrift zegt over de schepping en het geweten als getuigen van God, wat de bekende argumenten waard zijn, waar de grens van bewijs ligt en hoe God Zich in Jezus Christus bekend heeft gemaakt.
Bestaat God volgens de Bijbel?
De Bijbel begint zonder bewijs voor Gods bestaan. Het eerste vers zegt eenvoudig: 'In den beginne schiep God den hemel en de aarde' (Genesis 1:1). God wordt uit niets anders afgeleid; alles wat er is, komt uit Hem voort. Van eeuwigheid tot eeuwigheid is Hij God (Psalm 90:2).
Tegelijk zegt de Bijbel eerlijk dat God niet te zien is zoals een boom of een ster. Hij is een Geest (Johannes 4:24) en bewoont een ontoegankelijk licht (1 Timotheüs 6:16). Daarom vraagt de Schrift om geloof: 'Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken' (Hebreeën 11:6). Dat geloof is geen sprong in het duister: het rust op wat God Zelf van Zich laat zien en zegt. Wie wil weten Wie deze God is, leest meer bij de vraag wie God is volgens de Bijbel.
Is er een God? Wat schepping en geweten laten zien
David keek omhoog en schreef: 'De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk' (Psalm 19:2). De sterrenhemel spreekt zonder woorden, dag en nacht, tot over de hele aarde (Psalm 19:3-5). Paulus zegt hetzelfde in zijn brief aan de Romeinen: 'Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid' (Romeinen 1:20). Wie de orde, de schoonheid en de rijkdom van de schepping ziet, ziet het werk van de Maker. Meer over dit gedeelte leest u in de uitleg van Romeinen 1, en over God als Schepper op de pagina over de schepping in de Bijbel.
Naast de schepping buiten de mens noemt Paulus een getuige in de mens zelf. Mensen die Gods wet nooit gelezen hebben, weten toch van goed en kwaad. Zij tonen 'het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende' (Romeinen 2:15). Dat besef van goed en kwaad is een spoor van de Wetgever. Prediker zegt dat God de eeuw in het hart van de mens heeft gelegd (Prediker 3:11). Veel uitleggers verstaan dat als een besef van wat blijvend is, dat niets op aarde helemaal vervult.
Is er bewijs dat God bestaat?
Door de eeuwen heen hebben christelijke denkers argumenten opgesteld die laten zien dat geloof in God redelijk is. Thomas van Aquino gaf er vijf in zijn Summa Theologiae (deel I, vraag 2, artikel 3). Latere denkers voegden er andere aan toe. De bekendste argumenten van nu, kort samengevat:
- Het argument van het begin: alles wat begint te bestaan, heeft een oorzaak. Heeft de wereld een begin, dan vraagt dat om een Oorzaak buiten de wereld (Genesis 1:1).
- Het argument van de orde: de wetten van de natuur en de nauwkeurige afstemming van alles wat leven mogelijk maakt, wijzen op een ontwerp en dus op een Ontwerper (Psalm 104:24).
- Het morele argument: als goed en kwaad echt bestaan en meer zijn dan smaak of afspraak, dan is er een maatstaf boven de mens (Romeinen 2:15).
- Het argument van het verlangen: de mens zoekt naar zin en eeuwigheid, en dat verlangen wijst boven deze wereld uit (Prediker 3:11).
- Het argument uit de geschiedenis: de opstanding van Christus wordt in de Bijbel gebracht als een gebeurtenis met getuigen, van wie velen nog leefden toen Paulus schreef (1 Korinthe 15:6).
Deze argumenten laten zien dat geloven in God niet tegen het verstand ingaat. Petrus vraagt christenen om altijd bereid te zijn tot verantwoording van de hoop die in hen is (1 Petrus 3:15). Toch hebben de argumenten een grens. Een redenering kan hoogstens tonen dat er een Schepper moet zijn; zij brengt een mens nog niet bij de God Die hem kent en roept. Paulus schrijft dat de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid (1 Korinthe 1:21), en de Hebreeënbrief zegt dat wij door het geloof verstaan dat de wereld door het woord van God is toebereid (Hebreeën 11:3).
Hoe weet een mens zeker dat God bestaat?
De Bijbel wijst uiteindelijk op een Persoon. God heeft Zelf gesproken: 'God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon' (Hebreeën 1:1). Johannes zegt het zo: 'Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard' (Johannes 1:18).
In Jezus Christus is God Zelf onder de mensen gekomen. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien (Johannes 14:9). Daarom is de vraag of God bestaat ten diepste ook de vraag Wie Jezus is. Zijn leven, dood en opstanding zijn het duidelijkste antwoord dat God gegeven heeft.
Zekerheid over God komt door het horen en lezen van Zijn Woord: het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God (Romeinen 10:17). Wie twijfelt, hoeft dat niet te verbergen. Een vader die zijn zoon bij Jezus bracht, zei dat hij geloofde en vroeg tegelijk om hulp tegen zijn ongeloof (Markus 9:24). Jezus wees hem niet af. Twijfel hoeft u ook niet alleen te dragen: een gesprek met uw predikant, ouderling of een vertrouwd gemeentelid kan helpen.
Waarom geloven niet alle mensen in God?
Veel mensen geloven niet dat God bestaat, vaak oprecht en soms om pijnlijke redenen: ziekte, oorlog of teleurstelling in christenen. Over de vraag waarom God dat toelaat, leest u meer bij waarom God lijden toelaat.
De Bijbel noemt de ontkenning van God een zaak van het hart, meer dan van het hoofd: 'De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God' (Psalm 14:1). Een dwaas is in de Psalmen iemand die leeft alsof God er niet is en zich aan Hem onttrekt. Het vers zegt het zelf: zij verderven het en maken het gruwelijk met hun werk (Psalm 14:1). Het woord gaat over iemands leven en zegt niets over zijn verstand. De tekst is ook geen scheldwoord voor anderen. Twee verzen verder staat dat er niemand is die goed doet, ook niet een (Psalm 14:3), en Paulus past die woorden toe op alle mensen, Joden en heidenen (Romeinen 3:9-10).
Dat maakt een christen bescheiden. Wie gelooft, heeft dat niet aan eigen scherpzinnigheid te danken, want het geloof is een gave van God (Efeze 2:8). Daarom gaat een christen respectvol in gesprek met wie niet gelooft, met zachtmoedigheid en vreze, zoals Petrus vraagt (1 Petrus 3:15). Wie verder vraagt waar God dan vandaan komt, vindt een antwoord bij de vraag wie God gemaakt heeft.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Schrift gaat voor; de belijdenis vat samen wat de kerk daarin gelezen heeft. Artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat er één enig en eenvoudig geestelijk Wezen is, dat wij God noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig en goed, en een overvloeiende fontein van al het goede.
Artikel 2 zegt hoe wij God kennen, en noemt twee middelen. Het eerste is de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Die staat ons voor ogen als een mooi boek, waarin alle schepselen, groot en klein, als letters zijn die ons Gods onzienlijke dingen laten zien: Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, zoals Paulus zegt in Romeinen 1:20. Het tweede middel is Gods heilig en Goddelijk Woord. Daarin maakt Hij Zich nog duidelijker en vollediger bekend, zoveel als in dit leven nodig is tot Zijn eer en tot onze zaligheid. De schepping laat de mens zonder verontschuldiging (Romeinen 1:20); de weg tot zaligheid wijst alleen het Woord.
Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus belijdt dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus 'hemel en aarde met al wat er in is uit niet geschapen heeft' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 9, vraag 26). Het antwoord blijft niet staan bij een Schepper op afstand. Het eindigt met vertrouwen: deze God is om Christus' wil mijn God en mijn Vader. Daar wil de vraag of God bestaat uiteindelijk heen. Wie zoekt, mag zich vasthouden aan wat God tot Zijn volk in de ballingschap zei:
'En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart' (Jeremia 29:13)