Hebreeën 11 in het kort: Hebreeën 11 (ook geschreven als Hebreeen zonder trema, afgekort Hebr. 11) is het geloofshoofdstuk van de Bijbel en telt 40 verzen. Vers 1 geeft de omschrijving van geloof, vers 2 tot 38 laten zien wat geloof deed in het leven van Abel, Enoch, Noach, Abraham, Sara, Izak, Jakob, Jozef, Mozes en Rachab, en vers 39 en 40 sluiten af met de vaststelling dat zij de belofte zelf niet ontvingen.
De tekst van Hebreeën 11 vers 1 tot 3 in de Statenvertaling
Zoekt u Hebreeën 11 in een bepaalde vertaling? Op deze pagina staat het hoofdstuk in de Statenvertaling, en de versnummering loopt gelijk met die van de HSV, de NBV21 en de Bijbel in Gewone Taal, zodat u deze uitleg naast elke vertaling kunt leggen. Hieronder de drie verzen waarmee het hoofdstuk opent.
Vers 1 Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Vers 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen.
Vers 3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.
Vers 1 draagt het hele hoofdstuk: geloof is geen gok, maar staat ergens op. Vers 2 en 3 laten meteen zien hoe ver dat reikt, van de getuigen van vroeger tot de schepping zelf. De volledige tekst van alle veertig verzen leest u op Hebreeën 11.
De Definitie van Geloof
Hebreeën 11 begint met een van de meest bekende definities van geloof in de Bijbel: "Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet" (vers 1, Statenvertaling). Deze definitie toont dat geloof niet blind vertrouwen is, maar een gefundeerde zekerheid gebaseerd op Gods betrouwbaarheid.