Uit de bijbelse wereld
Melaatsheid
zelfstandig naamwoord
In het kort
Melaatsheid betekent een ernstige, besmettelijke huidziekte, die in de Bijbel een mens onrein maakte, zodat hij buiten het leger moest wonen. Melaats is wie die ziekte heeft. De kanttekeningen zeggen al dat de bijbelse melaatsheid niet hetzelfde was als de lepra die zij zelf kenden.
In hedendaags Nederlands: besmettelijke huidziekte, lepra, huiduitslag
Wat betekent melaatsheid?
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt melaatsheid de ziekte van de melaatse, ook lazarusziekte of lepra genoemd, en daarnaast de uitslag op de huid die erbij hoort. Het bijvoeglijk naamwoord melaats is volgens het WNT ontleend aan het Franse malade, ziek, dat in het bijzonder voor lijders aan lepra werd gebruikt. Het WNT haalt ook de kanttekening bij Leviticus 13 aan: deze melaatsheid in het Oosten was een kwade, zeer besmettelijke schurftheid, onderscheiden van wat men in de Nederlanden lazerij of melaatsheid noemde. De wet van Mozes spreekt bovendien van een plaag der melaatsheid aan klederen en huizen. Wat voor ziekte het precies was, laat zich daarom niet met zekerheid zeggen.
Niet wat u nu denkt
Wie melaatsheid leest, denkt al snel aan de lepra uit de geneeskunde van nu. De vertalers waarschuwden zelf al dat de melaatsheid van Leviticus niet dezelfde ziekte was als de lazerij van hun tijd. Het woord omvat in de wet ook een plaag aan een wollen of linnen kleed en aan de muren van een huis. Het gaat in de Statenvertaling minder om een medische diagnose dan om rein en onrein voor het aangezicht van God.
Melaatsheid in de Statenvertaling
69 keer, in 63 verzen en 10 bijbelboeken (melaats 13, melaatse 8, melaatsen 8, melaatsheid 40).
De meeste vindplaatsen staan in Leviticus 13 en 14. Daar beschrijft de wet hoe de priester een gezwel, zweer of witte vlek moet bekijken en de zieke rein of onrein moet verklaren. Wie melaats was, droeg gescheurde klederen, bedekte zijn bovenlip en riep: 'Onrein, onrein!' (Leviticus 13:45). Hij moest alleen wonen, buiten het leger. Na genezing volgde een reiniging met offers.
Een paar keer is melaatsheid een straf van God. Mirjam werd melaats, wit als de sneeuw, toen zij tegen Mozes sprak, en Gehazi kreeg de melaatsheid van Naäman vanwege zijn hebzucht en leugen. Koning Uzzia bleef melaats tot zijn dood en woonde in een afgezonderd huis. Daartegenover staat de genezing van Naäman, de krijgsoverste van Syrië, die zich zevenmaal in de Jordaan doopte. En vier melaatse mannen bij de poort van Samaria brachten het goede nieuws dat het leger van de Syriërs gevlucht was.
In de evangeliën reinigt Christus melaatsen. Hij raakt een melaatse aan en zegt: 'Ik wil, word gereinigd!' (Mattheüs 8:3). Van tien melaatse mannen keert er één terug om te danken, een Samaritaan. Als Johannes de Doper vraagt of Hij de Christus is, wijst de Heere erop dat 'de melaatsen worden gereinigd' (Mattheüs 11:5). Kort voor Zijn lijden is Hij te gast bij Simon, de melaatse, in Bethanië.
Verzen met melaatsheid
“Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aaron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.”
Het begin van de wet over melaatsheid. De kanttekening noemt het terecht een plaag: zeer besmettelijk, bij mensen ongeneeslijk geacht, en zwaarder dan de lazerij die men in de Nederlanden kende.
“Naaman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrie, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriers verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.”
Naäman had alles wat een mens kon wensen: aanzien, macht en overwinningen. Het korte doch melaats aan het eind van het vers laat zien dat al die grootheid hem niet kon redden.
“En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.”
Een melaatse komt naar Christus en aanbidt Hem. Hij twijfelt niet aan Zijn macht, alleen aan Zijn wil: indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. De Heere antwoordt met Ik wil.
“En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;”
De tien melaatse mannen blijven op afstand staan. Volgens de kanttekening deden zij dat omdat de wet voorschreef dat melaatsen buiten het volk moesten blijven.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Leviticus 13:2
plaag der melaatsheid zou worden,. Of, een teken van de plaag der melaatsheid, die wel terecht ene plaag genoemd wordt, niet alleen in dit hfdst., maar ook onder, Lev 14:3; Deu 24:8, enz.; want deze melaatsheid was een soort van kwade schurftheid, zeer besmettelijk en bij de mensen ongeneeslijk geacht, onderscheiden van de ziekte, die wij in deze landen lazerij of melaatsheid noemen, als veel zwaarder dan deze zijnde.
De vertalers leggen uit waarom melaatsheid een plaag heet: het was een kwade schurftheid, zeer besmettelijk en bij mensen ongeneeslijk geacht. Zij zeggen er uitdrukkelijk bij dat het een andere en zwaardere ziekte was dan de lazerij die men in de Nederlanden kende.
Bij Mattheüs 8:3
aangeraakt,. Namelijk om hem te genezen. Anders waren naar de wet onrein die melaatsen aanraakten, zie Lev 13:46 .
De kanttekening wijst erop dat volgens de wet onrein werd wie een melaatse aanraakte. Christus raakt de man toch aan om hem te genezen, en de melaatse wordt terstond gereinigd.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
צָרַעַת tsaraath (Hebreeuws, H6883)
Het Hebreeuwse tsaraath vertaalt het Strong's-lexicon met melaatsheid. Bij mensen gaat het om een kwaadaardige huidziekte, bij kleren en huizen om schimmel of uitslag zoals in Leviticus 13 en 14. Het is het woord bij de melaatsheid van Naäman.
Onder meer in Leviticus 13:2, 2 Koningen 5:3 en 2 Koningen 5:27. Woordstudie bij H6883 (na inloggen).
צָרַע tsara (Hebreeuws, H6879)
Het werkwoord tsara betekent volgens het Strong's-lexicon een huidziekte hebben, melaats zijn. Het lexicon geeft als grondbetekenis geselen of slaan: met melaatsheid geslagen worden. De Statenvertaling vertaalt het met melaats.
Onder meer in Exodus 4:6, 2 Koningen 5:1 en 2 Kronieken 26:21. Woordstudie bij H6879 (na inloggen).
λεπρός lepros (Grieks, G3015)
Het Griekse lepros betekent volgens het Strong's-lexicon schilferig, en zo een melaatse. Het hoort bij lepra, het woord voor de ziekte zelf, dat het lexicon met schilferigheid omschrijft. De Statenvertaling vertaalt het met melaats of melaatse.
Onder meer in Mattheüs 8:2 en Lukas 17:12. Woordstudie bij G3015 (na inloggen).
Verwante woorden
- onrein: De staat van de melaatse volgens de wet: hij mocht niet in het leger of in het heiligdom komen.
- lazerij: De naam die de kanttekeningen gebruiken voor de melaatsheid zoals men die in de Nederlanden kende.
- plaag: Leviticus spreekt telkens van de plaag der melaatsheid, aan een mens, een kleed of een huis.
- pestilentie: Een andere ziekte die de Bijbel als plaag noemt, besmettelijk en dodelijk voor mens en vee.
- krank: Het oude woord voor ziek, dat de Statenvertaling voor allerlei ziekten gebruikt.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M038908. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M038907. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Leviticus 13:2, 2 Koningen 5:27, Mattheüs 8:3 en Lukas 17:12
- Strong's-lexicon: H6883, H6879, G3015 en G3014
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.