Verouderd woord
Misbaar
zelfstandig naamwoord
In het kort
Misbaar betekent luid rouwgeklaag: het geween, gejammer en de gebaren van mensen in diepe rouw. Misbaar maken of misbaar bedrijven is hardop klagen en weeklagen. In de Statenvertaling hoort het bij vasten, zak en as, en bij de rouw om een dode.
In hedendaags Nederlands: rouwgeklaag, weeklacht, gejammer, luid geween
Wat betekent misbaar?
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft bij misbaar als zelfstandig naamwoord twee betekenissen. De eerste is vreemde gebaren, stuiptrekkingen en handenwringen. De tweede voegt daar de gedachte aan geluid bij: gekrijs, gehuil, geween, geklaag of lawaai. Volgens het WNT is misbaar oorspronkelijk een samenstelling met een oud woord voor gebaar of houding, en betekende het geheel: het vertoon van leedwezen, van rouw en geween. Waar het over rouw gaat, noemt het WNT misbaar een edel maar verouderd woord, en het haalt daarbij Esther 4:3, Jeremia 4:8 en Micha 1:8 aan. De klemtoon ligt volgens het WNT op baar.
Niet wat u nu denkt
Wie misbaar leest, kan denken aan het bijvoeglijk naamwoord: wat gemist kan worden, het woord waarvan onmisbaar komt. Dat is volgens het WNT een ander woord. Misbaar in de Statenvertaling is een zelfstandig naamwoord en betekent luid gejammer van rouw. Als de mensen in het huis van Jaïrus misbaar maakten, waren zij niet overbodig, maar weeklaagden zij om het meisje dat gestorven was.
Misbaar in de Statenvertaling
10 keer, in 9 verzen en 5 bijbelboeken.
Misbaar staat 10 keer in de Statenvertaling, in 9 verzen verdeeld over 5 bijbelboeken. Het staat bijna altijd naast andere woorden van rouw. Toen het bevel van de koning tegen de Joden bekend werd, was er onder hen 'een grote rouw', 'met vasten, en geween, en misbaar' (Esther 4:3), en velen lagen in zak en as. Jeremia roept het volk op: 'gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt' (Jeremia 4:8), omdat de toorn van de HEERE niet is afgekeerd.
Bij Jeremia en Micha is misbaar ook de klacht over het oordeel dat komt, over Juda en over de volken. Op alle daken van Moab en op al haar straten is misbaar (Jeremia 48:38), en de dochters van Rabba moeten misbaar drijven. De profeet Micha zegt van zichzelf: 'Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen' (Micha 1:8). In de Psalmen is misbaar de klacht van de bidder zelf. 'Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar', zegt Asaf in Psalm 77:4, en in Psalm 55:3 bedrijft David misbaar in zijn klacht.
In het Nieuwe Testament staat het woord alleen in Lukas 8:52. In het huis van Jaïrus schreiden allen 'en maakten misbaar over hetzelve', over het meisje dat gestorven was. De Heere Jezus zegt: 'Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt'. Zij lachen Hem uit, maar Hij neemt haar bij de hand en roept haar, en haar geest keert weder.
Verzen met misbaar
“En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.”
In alle landschappen waar het bevel tegen de Joden aankomt, breekt rouw uit. Misbaar staat hier naast vasten en geween: het luide klagen van een volk dat zijn ondergang voor ogen ziet.
“O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen.”
Omdat de verstoorder snel komt, moet het volk een zak aangorden, zich in de as wentelen en 'een zeer bitter misbaar' maken: luid en bitter weeklagen. De kanttekening verklaart de rouw als over de dood van een eniggeboren zoon.
“Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.”
Micha klaagt over het oordeel over Samaria en Juda. Hij zal beroofd en naakt gaan en misbaar maken als de draken. Volgens de kanttekening wil hij het volk zo tot nadenken en bekering bewegen.
“En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.”
De rouwenden in het huis van Jaïrus weeklagen luid om het gestorven meisje. De Heere Jezus zegt dat zij niet gestorven is maar slaapt, en daarna wekt Hij haar op.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Jeremia 6:26
zeer bitter misbaar;. Hebreeuws, misbaar der bitterheden.
Kort maar veelzeggend: in het Hebreeuws staat letterlijk misbaar der bitterheden. De Statenvertaling geeft dat weer met zeer bitter misbaar, een weeklacht die vol bitterheid is.
Bij Lukas 8:52
maakten misbaar. Grieks sloegen zichzelven op den borst, om harentwil. Zie Mat 11:17 .
Volgens de kanttekening staat er in het Grieks dat de rouwenden zichzelf op de borst sloegen om het meisje. Misbaar is dus niet alleen geluid, maar ook het gebaar van rouw, zoals het WNT het woord ook beschrijft.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
מִסְפֵּד misped (Hebreeuws, H4553)
Het Hebreeuwse misped betekent volgens het Strong's-lexicon rouwklacht of weeklagen. De Statenvertaling geeft het in deze verzen weer met misbaar, bij de rouw van Esther 4, bij de bittere klacht in Jeremia 6 en op de daken van Moab.
Onder meer in Esther 4:3, Jeremia 6:26, Jeremia 48:38 en Micha 1:8. Woordstudie bij H4553 (na inloggen).
סָפַד saphad (Hebreeuws, H5594)
Het werkwoord saphad betekent volgens het lexicon eigenlijk het haar uittrekken en zich op de borst slaan van verdriet, en in het algemeen rouwklagen. De Statenvertaling vertaalt het hier met misbaar bedrijven of misbaar drijven.
Onder meer in Jeremia 4:8, Jeremia 49:3 en Micha 1:8. Woordstudie bij H5594 (na inloggen).
κόπτω kopto (Grieks, G2875)
Het Griekse kopto betekent volgens het lexicon eigenlijk hakken, en in het bijzonder zich op de borst slaan van verdriet. Daarom zegt de kanttekening bij Lukas 8:52 dat de rouwenden zichzelf op de borst sloegen.
Onder meer in Lukas 8:52. Woordstudie bij G2875 (na inloggen).
Verwante woorden
- rouw: In Esther 4:3 en Jeremia 6:26 staat misbaar in één adem met rouw.
- getier: In Psalm 55:3 naast misbaar; de kanttekening verklaart het als rumoer of gerucht.
- zak en as: De kleding en de houding van rouw, die vaak samen met misbaar genoemd worden.
- huilen: Het werkwoord dat Jeremia en Micha naast misbaar bedrijven zetten.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M039467. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Jeremia 6:26, Micha 1:8, Lukas 8:52 en Psalm 55:3
- Strong's-lexicon: H4553, H5594 en G2875
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.