Ga naar hoofdinhoud

Zondag 23: De rechtvaardiging

Schriftbewijzen: Romeinen 3:24, Efeze 2:8-9

Vraag 59: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens.

Schriftbewijzen: Habakuk 2:4, Romeinen 1:17, Johannes 3:36

Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn geweten aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Schriftbewijzen: Romeinen 3:21-28, 2 Korinthe 5:19, Galaten 2:16, Efeze 2:8-9, Filippenzen 3:9, Titus 3:5

Vraag 61: Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?

Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

Schriftbewijzen: 1 Korinthe 1:30, 1 Korinthe 2:2

Antwoord:

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn geweten aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Antwoord:

Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus: waar gaat het over?

Zondag 23 beantwoordt de vraag hoe een mens rechtvaardig is voor God. In drie vragen (59, 60 en 61) belijdt de catechismus dat dat niet gebeurt op grond van wat u zelf doet, maar alleen door een waar geloof in Jezus Christus: God schenkt en rekent de gerechtigheid van Christus toe aan wie die weldaad met een gelovig hart aanneemt.

De plaats in het geheel verklaart de toon. De zondagen daarvoor zijn de Apostolische Geloofsbelijdenis stap voor stap doorgegaan; vraag 59 vat dat samen met de nuchtere vraag wat het u nu baat dat u dit alles gelooft. Zondag 24, direct hierna, vangt het misverstand op dat goede werken er dan niet toe doen. Zondag 23 is daarmee het scharnier van de catechismus, en wordt in preekroosters en kerkbladen vaak afgekort als HC 23 of hc zondag 23.

De twee schriftbewijzen bij deze zondag geven de kern in bijbeltaal. Romeinen 3:24 zegt van de mensen die allen gezondigd hebben, dat zij "om niet gerechtvaardigd worden, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is". Efeze 2:8-9 vult aan: "Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme." Vraag 61 sluit daarom uitdrukkelijk uit dat het geloof zelf de verdienste zou zijn: het geloof is de hand die aanneemt, niet de prijs die betaald wordt.