Artikel 23 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening der gehoorzaamheid van Christus
In het kort
Artikel 23 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat onze rechtvaardiging bestaat in de vergeving van onze zonden om Christus' wil. God rekent de gelovige de gehoorzaamheid van Christus toe. Dat geeft vrijmoedigheid om tot God te gaan, zonder te steunen op eigen werk.
De tekst van NGB 23
Wij geloven, dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus' wil, en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is; gelijk David en Paulus ons leren, verklarende de gelukzaligheid des mensen te zijn, dat God hem de rechtvaardigheid zonder werken toerekent. Ps. 32:2, Rom. 4:6. En dezelfde apostel zegt, dat wij om niet, of uit genade gerechtvaardigd zijn, door de verlossing die in Jezus Christus is. Rom. 3:24
En daarom houden wij dit fondament altijd vast, Gode al de eer gevende, ons vernederende en bekennende zodanigen als wij zijn, zonder iets van onszelf of van onze verdiensten te vermeten, steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruisigden Christus alleen, dewelke onze is, wanneer wij in Hem geloven.
Die is genoegzaam, om al onze ongerechtigheden te bedekken, en ons vrijmoedigheid te geven, de consciëntie vrijmakende van vrees, verbaasdheid en verschrikking, om tot God te gaan, zonder te doen gelijk onze eerste vader Adam, dewelke al bevende zich met vijgenbladeren bedekken wilde. En voorwaar indien wij voor God verschijnen moesten, steunende op onszelf of op enige andere schepselen, hoe weinig het ook ware, wij moesten, helaas, verslonden worden. En daarom moet een iegelijk zeggen met David: HEERE, ga niet in het gericht met Uw knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Ps. 143:2.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Waarin ligt het geluk van een mens voor God? Het vorige artikel zei dat het geloof Christus aanneemt. Artikel 23 zegt waarin onze rechtvaardiging dan bestaat. Het begint met een oud woord: 'onze gelukzaligheid'. Dat is het hoogste geluk van een mens, het heil bij God. Dat heil ligt volgens het artikel 'in de vergeving onzer zonden'.
Het artikel zegt er direct bij dat 'daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is'. Begrepen betekent hier: inbegrepen, erin vervat. Vergeving en gerechtigheid zijn dus geen twee losse gaven. Wie vergeving ontvangt, staat ook rechtvaardig voor God. De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 21 dat God mijn zonden "nimmermeer wil gedenken" en mij de gerechtigheid van Christus schenkt.
David en Paulus als getuigen
Het artikel roept twee getuigen uit de Schrift op: David en Paulus. Zij leren dat een mens gelukzalig is als hij van God 'de rechtvaardigheid zonder werken' toegerekend krijgt. David zingt in Psalm 32: "Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is". Paulus neemt die woorden over in Romeinen 4. Hij doet dat juist om te laten zien dat werken hier buiten blijven.
Toerekenen betekent: op iemands rekening zetten. God zet de zonden van de gelovige niet meer op zijn rekening. Paulus schrijft: "Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent". Tegelijk zet God iets op zijn rekening wat hij zelf nooit bezat: de gerechtigheid van een Ander. Dat is de kern van dit artikel.
Daarna noemt het artikel nog een woord van Paulus: wij zijn 'om niet, of uit genade gerechtvaardigd'. Om niet betekent: gratis, zonder dat er iets tegenover staat. In Romeinen 3 staat: "En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade". Dat gebeurt 'door de verlossing die in Jezus Christus is'. De prijs is dus wel betaald, maar niet door ons.
Het fondament vasthouden
De tweede alinea trekt de conclusie: 'En daarom houden wij dit fondament altijd vast'. Een fondament is een fundament, de grond waarop een huis rust. De gelovige houdt dat vast door 'Gode al de eer gevende'. Wie zo gerechtvaardigd wordt, kan niet meer op zichzelf roemen. Paulus zegt over de roem van de mens: "Hij is uitgesloten".
Daarbij hoort een houding van ootmoed: 'ons vernederende en bekennende zodanigen als wij zijn'. Bekennen wie wij zijn, betekent eerlijk erkennen dat wij zondaars zijn. Dat gebeurt 'zonder iets van onszelf of van onze verdiensten te vermeten'. Vermeten betekent: zich aanmatigen, zich ergens op laten voorstaan. Er blijft niets over om op te bouwen, behalve Christus.
De gehoorzaamheid van Christus
Waarop rust de gelovige dan wel? Het artikel antwoordt: 'op de gehoorzaamheid des gekruisigden Christus alleen'. Het woord gekruisigd laat zien dat Zijn gehoorzaamheid tot in de dood ging. Paulus zet Adam en Christus tegenover elkaar. Door de ongehoorzaamheid van de een werden velen zondaars, en "door de gehoorzaamheid van Enen" worden velen tot rechtvaardigen gesteld.
Die gehoorzaamheid is van Christus, maar het artikel zegt dat zij 'onze is, wanneer wij in Hem geloven'. God rekent haar de gelovige toe. De catechismus zegt in zondag 23 dat God dat doet "als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft". Het geloof verdient deze gerechtigheid niet, maar ontvangt haar.
Vrijmoedig tot God gaan
De derde alinea noemt de vrucht. Deze gehoorzaamheid is 'genoegzaam, om al onze ongerechtigheden te bedekken'. Genoegzaam betekent: voldoende, er hoeft niets bij. Zij geeft ook vrijmoedigheid, door 'de consciëntie vrijmakende van vrees, verbaasdheid en verschrikking'. Verbaasdheid betekent hier: ontsteltenis. Het geweten hoeft niet meer te beven voor Gods oordeel.
Het artikel stelt Adam daartegenover, die zich na de val 'met vijgenbladeren bedekken wilde'. In Genesis 3 zegt hij: "ik vreesde; want ik ben naakt". Een zelfgemaakte bedekking neemt de angst niet weg. De gerechtigheid van Christus doet dat wel. Daarom mag de gelovige met vertrouwen naderen: "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade".
Het slot is ernstig. Wie voor God zou verschijnen 'steunende op onszelf of op enige andere schepselen', zou verloren gaan. Ook een klein beetje eigen steun is te veel: 'hoe weinig het ook ware'. Daarom eindigt het artikel met het gebed van David: "ga niet in het gericht met Uw knecht". Dat gebed is geen wanhoop. Het is de weg naar Hem bij Wie vergeving is.
Bijbelse onderbouwing
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
God rechtvaardigt de goddeloze die niet werkt maar gelooft, zodat de gerechtigheid voor God niet uit eigen werk voortkomt.
“Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;”
Paulus haalt David aan voor de zaligheid van de mens aan wie God de rechtvaardigheid zonder werken toerekent, en daarop rust het artikel.
“Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.”
David noemt hem welgelukzalig wiens overtreding vergeven is, en het artikel ziet daarin de grond van onze gelukzaligheid.
“Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.”
God rekent de zonden niet toe, omdat Hij in Christus de wereld met Zichzelf verzoend heeft.
“En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.”
Met dit gebed van David sluit het artikel af, omdat niemand op eigen grond rechtvaardig voor God kan bestaan.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
In de zestiende eeuw ging het debat ook over de vraag waarin onze gerechtigheid voor God bestaat. Rond 1550 leerde de lutherse theoloog Andreas Osiander dat de gelovige rechtvaardig is door de inwoning van de Goddelijke gerechtigheid van Christus. Zo kwam de grond van de rechtvaardiging in de mens zelf te liggen. De meeste lutheranen wezen hem af, en Calvijn weerlegde hem uitvoerig in zijn Institutie. Hij hield vast dat God ons rechtvaardig verklaart door de gerechtigheid van Christus toe te rekenen.
De reformatoren onderscheidden rechtvaardiging en heiliging wel, zonder ze te scheiden. Rechtvaardiging is een vrijspraak van God, op grond van wat Christus deed. Daarom wijst dit artikel elke steun op 'enige andere schepselen' af. De belijdenis brengt daarbij geen nieuwe leer naar voren, maar beroept zich op David en Paulus.
Om over door te praten
- Wat betekent het dat onze rechtvaardigheid voor God al begrepen is in de vergeving van onze zonden?
- Waarom beroept het artikel zich juist op David en Paulus, en wat zegt het dat beiden hetzelfde getuigen?
- Op welke manier merkt u bij uzelf de neiging om op iets van uzelf te steunen in plaats van op Christus alleen?
- Hoe kan de toegerekende gehoorzaamheid van Christus uw geweten vrijmaken van vrees om tot God te gaan?
- Wat leert het beeld van Adam met de vijgenbladeren over onze pogingen om onze schuld zelf te bedekken?