Ga naar hoofdinhoud

Borstius les 11: Mozes en de uittocht uit Egypte

In het kort

Les 11 van Borstius vertelt over Mozes en de uittocht uit Egypte. God redde Mozes uit het water, plaagde Egypte met tien plagen en leidde Zijn volk droogvoets door de Rode Zee. In de woestijn gaf Hij manna en water uit de steenrots, en die steenrots wees op Christus.

De vragen en antwoorden van Borstius, les 11

  1. 115. Wie was de oudste schrijver?

    Antw.Mozes.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad. Bos (1886) heeft 'Wie was de eerste schrijver?'.

  2. 116. Waarom heet hij Mozes?

    Antw.Omdat hij uit het water getogen was.

    Bewijstekst: Exodus 2:10
    • Exodus 2:10 En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  3. 117. Wie had hem in het water geworpen?

    Antw.Zijn moeder.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  4. 118. Waarom?

    Antw.Omdat zij hem niet langer durfde verbergen.

    Bewijstekst: Exodus 2:2-3
    • Exodus 2:2-3 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  5. 119. Voor wien moest zij hem verbergen?

    Antw.Voor den koning Pharao.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  6. 120. Wat had dan de koning geboden?

    Antw.Dat men al de zonen der Israëlieten in het water zou werpen.

    Bewijstekst: Exodus 1:22
    • Exodus 1:22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  7. 121. Wie heeft Mozes uit het water getogen?

    Antw.Des konings dochter.

    Bewijstekst: Exodus 2:5
    • Exodus 2:5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  8. 122. Hoe kwamen de kinderen Israëls uit Egypte?

    Antw.God plaagde Egypte met tien groote plagen.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  9. 123. Welke zijn de tien plagen?

    Antw.1. Dat het water in bloed veranderde.

    2. Vorschen over het gansche land.

    3. Het stof werd luizen.

    4. Allerlei ongedierte.

    5. Pest over ’t vee.

    6. Booze zweren aan menschen en beesten.

    7. Hagel en vuur.

    8. Sprinkhanen, die al het kruid opaten.

    9. Duisternis, drie dagen lang.

    10. Al de eerstgeborenen stierven.

    Bewijsteksten: Exodus 7:20; Exodus 8:6; Exodus 8:16-17; Exodus 8:24; Exodus 9:6; Exodus 9:10; Exodus 9:23-24; Exodus 10:14; Exodus 10:22; Exodus 12:29
    • Exodus 7:20 Mozes nu en Aaron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
    • Exodus 8:6 En Aaron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
    • Exodus 8:16-17 Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde, in het ganse Egypteland. En zij deden alzo; want Aaron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.
    • Exodus 8:24 En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
    • Exodus 9:6 En de HEERE deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israels stierf niet een.
    • Exodus 9:10 En zij namen as uit den oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;
    • Exodus 9:23-24 Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland. En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.
    • Exodus 10:14 En de sprinkhanen kwamen op over het ganse Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; voor dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen;
    • Exodus 10:22 Als Mozes zijn hand uitstrekte naar den hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.
    • Exodus 12:29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  10. 124. Waren de Israëlieten vrij van die plagen?

    Antw.Ja.

    Bewijstekst: Exodus 10:23
    • Exodus 10:23 Zij zagen de een de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  11. 125. Wie leidden hen uit Egypte?

    Antw.Mozes en Aäron.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  12. 126. Hoe oud waren zij toen?

    Antw.Mozes was tachtig jaar, en Aäron drie en tachtig.

    Bewijstekst: Exodus 7:7
    • Exodus 7:7 En Mozes was tachtig jaar oud, en Aaron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  13. 127. Hoe lang hadden de Israëlieten daar gewoond?

    Antw.Vierhonderd dertig jaren.

    Bewijstekst: Exodus 12:40
    • Exodus 12:40 De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  14. 128. Hoe zijn zij ontkomen, toen Pharaö hen najaagde?

    Antw.Zij gingen droogvoets door de Roode Zee.

    Bewijstekst: Exodus 14:22
    • Exodus 14:22 En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  15. 129. Ging Pharaö met zijn volk daar ook door?

    Antw.Neen, zij gingen daar in en verdronken allen.

    Bewijstekst: Exodus 14:28
    • Exodus 14:28 Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  16. 130. Wat aten de Israëlieten in de woestijn?

    Antw.Manna, dat uit den Hemel regende.

    Bewijstekst: Exodus 16:15
    • Exodus 16:15 Toen het de kinderen Israels zagen, zo zeiden zij, de een tot den ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  17. 131. Wat dronken zij?

    Antw.Water, dat uit de steenrots kwam.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  18. 132. Wat beduidt de steenrots?

    Antw.Christus.

    Bewijstekst: 1 Korinthe 10:4
    • 1 Korinthe 10:4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  19. 133. Hoe lang bleven zij in de Woestijn?

    Antw.Veertig jaren.

    Bewijstekst: Exodus 16:35
    • Exodus 16:35 En de kinderen Israels aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaan.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

  20. 134. Waarom zoo lang?

    Antw.Omdat zij ongehoorzaam waren.

    Noot. Deze vraag komt uit de druk van H. Boer te Assen (ca. 1880): in de scan van de kopieerbron ontbreekt hier een blad.

Tekst: Eenige korte vragen voor de kleine kinderen, door Jacobus Borstius, in leven predikant te Rotterdam. Uitgegeven door de docenten aan de Theol. School der Christelijke Gereformeerde Kerk. 14e druk, 's-Gravenhage: S. van Velzen jr. (W.A. Beschoor), 1898. Scan op Delpher. Woord voor woord op de scan nagelezen en vergeleken met 3 andere drukken. Publiek domein. De Vries-Te Winkel, zoals in de kopieerbron (1898); niet gemoderniseerd. Over de tekst.

Uitleg om te leren en te bespreken

De eerste vraag noemt Mozes 'de oudste schrijver': de eerste van de schrijvers van de Bijbel. Van hem hebben wij de eerste vijf boeken van de Bijbel. Zijn naam heeft een betekenis: hij heet Mozes 'Omdat hij uit het water getogen was'. Getogen betekent getrokken. De dochter van Farao zei: "Want ik heb hem uit het water getogen".

Verborgen voor de koning

Waarom lag Mozes in het water? Zijn moeder legde hem daar, 'Omdat zij hem niet langer durfde verbergen'. De koning had geboden 'Dat men al de zonen der Israëlieten in het water zou werpen'. Eerst verborgen zijn ouders hem drie maanden. Dat deden zij door het geloof: "zij vreesden het gebod des konings niet". Toen zij hem niet langer konden verbergen, maakte zijn moeder een kistje van biezen en legde hem daarin, aan de oever van de rivier.

Toen kwam 'Des konings dochter' en vond het kistje. Zo gebruikte God juist de dochter van de vijand om Mozes te redden.

Tien plagen over Egypte

Hoe kwam het volk uit Egypte? 'God plaagde Egypte met tien groote plagen'. Een plaag is een zware straf die over een land komt. Het boekje noemt ze alle tien, van het water dat in bloed veranderde tot de nacht waarin 'Al de eerstgeborenen stierven'. Met elke plaag liet God zien dat Hij machtiger is dan Farao en zijn goden.

Waren de Israëlieten vrij van die plagen? Het antwoord is ja. Bij verschillende plagen noemt de Bijbel dat onderscheid uitdrukkelijk. Bij de duisternis staat: "maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen". Bij de laatste plaag beschermde het bloed van het paaslam hun huizen. God zei: "wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan". Dat lam wees op Christus, want Paulus schrijft: "ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus".

Door de Rode Zee

Het volk werd geleid door 'Mozes en Aäron'. Mozes 'was tachtig jaar, en Aäron drie en tachtig'. Israël had in Egypte gewoond 'Vierhonderd dertig jaren'. Toen Farao hen najoeg, gingen zij 'droogvoets door de Roode Zee'. Droogvoets betekent: met droge voeten. De wateren "waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand". Farao en zijn leger gingen er ook in, en zij verdronken allen. De zee die Israël redde, werd het graf van de vijand.

Brood en water in de woestijn

In de woestijn aten zij 'Manna, dat uit den Hemel regende'. Manna was brood dat God dag aan dag gaf. Zij dronken 'Water, dat uit de steenrots kwam'. Wat beduidt die steenrots? Het antwoord is: Christus. Beduiden betekent betekenen. Paulus schrijft: "en de steenrots was Christus". Zoals het water het volk in leven hield, zo geeft Christus leven aan wie in Hem gelooft.

Toch bleven zij 'Veertig jaren' in de woestijn, 'Omdat zij ongehoorzaam waren'. Zij geloofden niet dat God hun het land kon geven. Zo leert deze les dat God trouw is, en dat ongeloof een grote zonde is.

Bijbelse onderbouwing

  • Exodus 2:10

    “En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.”

    De dochter van Farao gaf Mozes zijn naam, omdat zij hem uit het water getogen had.

  • Exodus 12:13

    “En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.”

    Bij de laatste plaag ging God de huizen met het bloed van het paaslam voorbij.

  • Exodus 14:22

    “En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.”

    Israël ging op het droge door de zee, met het water als een muur aan beide kanten.

  • 1 Korinthe 10:4

    “En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.”

    Paulus legt uit dat de steenrots in de woestijn op Christus wees, zoals vraag 132 zegt.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Om over door te praten

  1. Hoe zorgde God voor Mozes toen de koning alle jongens in het water liet werpen?
  2. Waarom bleef Israël gespaard toen de plagen over Egypte kwamen?
  3. Wat leert de steenrots in de woestijn over wie Christus is?
  4. Wat kunt u leren van het volk dat veertig jaar in de woestijn bleef omdat het God niet geloofde?

Samen leren thuis

Leer met de kinderen de tien plagen uit vraag 123 in de goede volgorde. Gebruik tien kaartjes en laat een kind bij elke plaag een tekening maken. Lees daarna Exodus 14:21-22 voor en praat erover hoe God Zijn volk redde. Sluit af met de vraag wat de steenrots beduidt, en zeg het antwoord samen op.