Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1000 v.Chr.

Simeï in de Bijbel

Simeï (שִׁמְעִי, Hebreeuws) - “Waarschijnlijk afgeleid van horen”

Wie was Simeï?

Simeï, de zoon van Gera, was een Benjaminiet uit het huis van Saul die koning David op de vlucht voor Absalom vervloekte en met stenen gooide. David liet hem vloeken (2 Samuël 16:10-11) en spaarde hem later. Onder Salomo brak Simeï zijn eed en werd hij gedood (1 Koningen 2:46).

Simeï staat in drie gedeelten van de Bijbel: 2 Samuël 16:5-14, 2 Samuël 19:16-23 en 1 Koningen 2:8-9 en 1 Koningen 2:36-46. De Statenvertaling schrijft zijn naam als Simei, zonder trema: "Simei, de zoon van Gera" (2 Samuël 16:5). Hij woonde in Bahurim, een plaats van Benjamin aan de weg van Jeruzalem naar de Jordaan, en hoorde bij "het geslacht van het huis van Saul". Het verhaal begint op de zwartste dag van David. Absalom had zich tot koning laten uitroepen, en David vluchtte met zijn mannen uit Jeruzalem. Bij Bahurim kwam Simeï naar buiten. Hij liep langs de helling met de stoet mee, vloekte, gooide met stenen en stof en riep: "Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!" (2 Samuël 16:7). Abisai, de zoon van Zeruja, wilde hem het hoofd afslaan, maar David hield hem tegen en zei: "laat hem vloeken" (2 Samuël 16:10). Toen de opstand voorbij was, keerde de situatie om. Simeï haastte zich met duizend Benjaminieten naar de Jordaan, viel voor de koning neer en beleed: "ik heb gezondigd" (2 Samuël 19:20). David zwoer hem dat hij niet zou sterven. Het laatste deel speelt onder Salomo. David noemde Simeï in zijn laatste woorden en vroeg Salomo hem niet onschuldig te houden. Salomo gaf hem een duidelijke voorwaarde: in Jeruzalem wonen en de stad nooit verlaten. Na drie jaar brak Simeï die belofte en werd gedood. De naam was in Israël gewoon. Een Simei staat ook in de stamboom van Mordechai (Esther 2:5); sommige uitleggers verbinden die met deze Simeï, maar de Bijbel stelt hen niet gelijk. Op deze pagina gaat het steeds over de zoon van Gera uit Bahurim.

Historische context

Simeï leefde in de tijd van David en Salomo, rond 1000 v.Chr.; hij stierf drie jaar nadat Salomo hem aan Jeruzalem had gebonden (1 Koningen 2:39), vroeg in de regering van Salomo. Zijn vader heette Gera, een naam die in de stam Benjamin vaker voorkomt: een zoon van Benjamin heette Gera (Genesis 46:21), en ook de richter Ehud wordt "den zoon van Gera, een zoon van Jemini" genoemd (Richteren 3:15). Waarschijnlijk gaat het om een geslachtsnaam. De uitdrukking "zoon van Jemini" (2 Samuël 16:11) is een omschrijving voor een Benjaminiet. Om Simeï te begrijpen, moeten wij weten dat het koningschap van Saul naar David was overgegaan. Saul was een Benjaminiet, en na zijn dood regeerde zijn zoon Isboseth nog een tijd over het noorden, totdat Abner en Isboseth werden vermoord. David verklaarde zich onschuldig aan het bloed van Abner (2 Samuël 3:28) en strafte de moordenaars van Isboseth (2 Samuël 4:11-12). Toch zag Simeï David als een man die "al het bloed van Sauls huis" op zijn geweten had (2 Samuël 16:8). Welk bloed hij bedoelde, zegt de tekst niet. Sommige uitleggers denken ook aan de zeven nakomelingen van Saul die David aan de Gibeonieten overgaf (2 Samuël 21:6), maar waar dat voorval in de tijd valt, is niet zeker. Bahurim lag volgens de loop van het verhaal op Davids vluchtroute van de Olijfberg naar de woestijn en de Jordaan. Het was ook de plaats waar Paltiël wenend achter Michal aanliep (2 Samuël 3:16) en waar Jonathan en Ahimaäz zich in een put verborgen (2 Samuël 17:18). Bij Davids terugkeer kwam Simeï met duizend man uit Benjamin en noemde zich "de eerste van het ganse huis van Jozef" (2 Samuël 19:20). Met het huis van Jozef bedoelde hij vermoedelijk de noordelijke stammen, als tegenhanger van Juda. Dat hij met zoveel mannen kwam, laat zien dat hij invloed had in zijn stam, en verklaart misschien waarom zowel David als Salomo voorzichtig met hem omgingen. De voorwaarde van Salomo noemt de beek Kidron, aan de oostkant van Jeruzalem (1 Koningen 2:37). Wie die beek overstak, was op weg naar Bahurim en het gebied van Benjamin. Simeï ging uiteindelijk de andere kant op, naar Gath in het land van de Filistijnen, waar zijn knechten heen waren gevlucht bij Achis, de zoon van Maacha (1 Koningen 2:39). Salomo had echter ook gezegd "herwaarts of derwaarts" (1 Koningen 2:42): elke reis buiten de stad viel onder het verbod.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Erkende zijn schuld openlijk tegenover de koning (2 Samuël 19:20)
  • Had invloed in zijn stam: duizend Benjaminieten kwamen met hem mee (2 Samuël 19:17)
  • Aanvaardde aanvankelijk de voorwaarde van Salomo en hield zich er drie jaar aan (1 Koningen 2:38)

−Zwakke kanten

  • Vervloekte de gezalfde koning op het moment dat die het zwakst was (2 Samuël 16:7-8)
  • Zijn ommekeer viel samen met de terugkeer van de macht van David (2 Samuël 19:16-18)
  • Brak de eed die hij bij de HEERE had afgelegd (1 Koningen 2:43)

Theologische betekenis

Het verhaal van Simeï draait niet in de eerste plaats om Simeï, maar om de manier waarop David de vloek ontvangt. David zegt: "Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David" (2 Samuël 16:10). Dat is geen goedkeuring van Simeï, maar een erkenning dat God ook in deze vernedering spreekt. David wist dat hij schuld had; na zijn zonde met Batseba had Natan gezegd: "het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid" (2 Samuël 12:10). Hij plaatst zichzelf onder Gods hand en laat de vergelding aan de HEERE: "Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te dezen dage" (2 Samuël 16:12). Tegenover David staat Abisai, die tweemaal Simeï wil doden. David wijst hem af met de woorden "Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja?" (2 Samuël 16:10; vergelijk 2 Samuël 19:22). Veel uitleggers zien hier een lijn naar de discipelen die vuur van de hemel wilden laten neerdalen en door Jezus werden bestraft (Lukas 9:54-55). Het Nieuwe Testament zegt van Christus: "Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt" (1 Petrus 2:23). Davids houding op de weg naar Bahurim wijst in die richting. Het verhaal is daarmee niet af, en de Schrift strijkt het niet glad. De wet zei: "de oversten in uw volk zult gij niet lasteren" (Exodus 22:28). Simeï had de gezalfde des HEEREN gevloekt, en David noemde dat later "een geweldigen vloek". David had hem gezworen dat hij hem niet met het zwaard zou doden, maar vroeg Salomo hem niet onschuldig te houden (1 Koningen 2:8-9). Uitleggers verschillen over die opdracht. Sommigen zien er een rechtvaardige koninklijke beslissing in: David zelf was aan zijn eed gebonden, maar het misdrijf tegen de gezalfde bleef staan en Simeï bleef een risico voor het jonge koningschap. Anderen lezen er ook persoonlijke bitterheid in die niet past bij Davids eerdere woorden. De tekst geeft geen oordeel, en het is eerlijk die spanning te laten staan. Salomo voert de opdracht uit op een manier die Simeï een eigen keuze laat. Pas als Simeï de eed breekt, valt het oordeel. Salomo zegt dan: "daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren" (1 Koningen 2:44). Een vloek tegen de koning van Gods keuze kwam terug op het hoofd van wie hem uitsprak.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Simeï (שִׁמְעִי, Hebreeuws)

Betekenis

Waarschijnlijk afgeleid van horen

Sleutelmomenten

1

De vloek bij Bahurim

Als David bij Bahurim komt, komt Simeï naar buiten. Hij vloekt, gooit met stenen naar David en zijn knechten en roept dat de HEERE het bloed van het huis van Saul op David laat terugkomen.

2 Samuël 16:5-8

2

Laat hem vloeken

Abisai noemt Simeï een dode hond en wil hem onthoofden. David weigert: als zijn eigen zoon hem naar het leven staat, hoeveel te meer deze Benjaminiet. De HEERE heeft het Simeï gezegd, en misschien zal de HEERE David goed vergelden voor deze vloek.

2 Samuël 16:9-12

3

Stenen en stof

Simeï loopt aan de overkant langs de berg met de stoet mee. Hij blijft vloeken, met stenen gooien en stof opwerpen, terwijl David vermoeid verder trekt.

2 Samuël 16:13

4

Op de knieën bij de Jordaan

Na de dood van Absalom haast Simeï zich met duizend Benjaminieten naar de Jordaan. Hij valt voor David neer, vraagt hem de misdaad niet toe te rekenen en zegt dat hij gezondigd heeft.

2 Samuël 19:16-20

5

Gij zult niet sterven

Abisai vindt opnieuw dat Simeï moet sterven, omdat hij de gezalfde des HEEREN vervloekt heeft. David weigert: op deze dag zal niemand in Israël gedood worden. Hij zweert Simeï dat hij niet zal sterven.

2 Samuël 19:21-23

6

Davids opdracht aan Salomo

Op zijn sterfbed herinnert David Salomo aan de zware vloek van Simeï en aan zijn eigen eed. Hij vraagt Salomo hem niet onschuldig te houden en naar zijn wijsheid te handelen.

1 Koningen 2:8-9

7

Wonen in Jeruzalem

Salomo laat Simeï een huis in Jeruzalem bouwen en verbiedt hem de stad te verlaten: de dag dat hij de beek Kidron oversteekt, zal hij sterven. Simeï noemt dat woord goed en woont lange tijd in de stad.

1 Koningen 2:36-38

8

Naar Gath en zijn dood

Na drie jaar lopen twee knechten van Simeï weg naar Gath. Simeï zadelt zijn ezel en haalt ze terug. Salomo houdt hem de eed des HEEREN voor en het kwaad dat hij David had gedaan, en laat hem door Benaja doden.

1 Koningen 2:39-46

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Simeï beter te begrijpen.

2 Samuël 16:5

“Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simei, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.”

De introductie van Simeï: een man uit het huis van Saul die de vluchtende David ontmoet. De SV spelt zijn naam Simei.

2 Samuël 16:7

“Aldus nu zeide Simei in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!”

De kern van zijn vloek. Belials man betekent een nietswaardige, goddeloze man.

2 Samuël 16:10

“Maar de koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan?”

David weigert wraak en ziet in de vloek de hand van God. Hij buigt zich onder wat over hem komt.

2 Samuël 16:11

“Voorts zeide David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.”

David weegt de vloek van Simeï af tegen het verraad van zijn eigen zoon. Wie door Absalom wordt achtervolgd, hoeft zich niet op Simeï te wreken.

2 Samuël 19:20

“Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen, de eerste van het ganse huis van Jozef, om mijn heer den koning tegemoet af te komen.”

De belijdenis van Simeï bij de Jordaan, nu de macht van David hersteld is. Of zijn berouw echt was, laat de tekst open.

2 Samuël 19:23

“En de koning zeide tot Simei: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem.”

David spaart Simeï met een eed. Op deze dag van herstel wilde hij geen bloed vergieten.

1 Koningen 2:9

“Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.”

De opdracht van David aan Salomo. Het vers laat zien dat de zaak voor David niet was afgesloten; uitleggers beoordelen deze woorden verschillend.

1 Koningen 2:44

“Verder zeide de koning tot Simei: Gij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.”

Salomo verbindt de dood van Simeï met zijn gebroken eed en met zijn vloek tegen David. Het kwaad keert terug op zijn eigen hoofd.

Tijdperiode

~1000 v.Chr.

Simeï leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Simeï laat zien hoe gemakkelijk iemand trapt naar wie al op de grond ligt. Hij wachtte tot David zwak was en sprak toen zijn bitterheid uit. Wij kennen die verleiding ook, zeker in een tijd waarin hoon snel en openbaar is. Spreuken zegt: "alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen" (Spreuken 26:2). Simeïs beschuldiging over het bloed van Sauls huis was, voor zover de tekst laat zien, zo’n vloek zonder oorzaak, en het einde van Simeï laat zien dat kwaad op het hoofd van de spreker kan terugkeren. Davids reactie is een spiegel voor ons. Hij had de macht om Simeï te laten doden, maar zei: "laat hem vloeken". Hij vroeg zich af of God hem door deze man iets te zeggen had, en liet de vergelding aan de HEERE. Zo wijst hij vooruit naar Christus, die niet terugschold. Dat vraagt geen onverschilligheid over onrecht, maar vertrouwen dat God rechtvaardig oordeelt. Simeï leert ook dat een belijdenis onder druk nog geen bewijs van bekering is. Bij de Jordaan sprak hij de juiste woorden: "ik heb gezondigd". Maar zijn latere gedrag liet zien hoe licht hij een eed bij de HEERE opnam. Echte bekering blijkt niet uit één moment, maar uit trouw daarna. Het verhaal is ook eerlijk over David. Hij spaarde Simeï en vroeg Salomo later toch hem niet onschuldig te houden. Of dat rechtvaardigheid was of ook bitterheid, laat de Bijbel open; zij maakt van David geen heilige zonder schaduw. Dat bewaart ons ervoor mensen te verheerlijken en wijst ons naar de ware Koning, in wie geen bitterheid is.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Simeï

Wie was Simeï in de Bijbel?
Simeï, de zoon van Gera, was een Benjaminiet uit Bahurim, uit het geslacht van het huis van Saul. Toen koning David voor zijn zoon Absalom vluchtte, vervloekte Simeï hem, gooide met stenen en noemde hem een man des bloeds (2 Samuël 16:5-8). David liet hem vloeken en spaarde hem later met een eed. Onder Salomo brak Simeï een opgelegde belofte en werd hij gedood (1 Koningen 2:46).
Waar staat Simeï in de Bijbel?
Het verhaal van Simeï, de zoon van Gera, staat in 2 Samuël 16:5-14 (de vloek), 2 Samuël 19:16-23 (zijn smeekbede bij de Jordaan), 1 Koningen 2:8-9 (Davids opdracht aan Salomo) en 1 Koningen 2:36-46 (het verbod om Jeruzalem te verlaten en zijn dood). Andere mannen met de naam Simei komen op meer plaatsen voor, onder meer in Esther 2:5 en 1 Koningen 4:18.
Hoe schrijf je Simeï in de Statenvertaling?
De Statenvertaling schrijft Simei, zonder trema: "Simei, de zoon van Gera" (2 Samuël 16:5). In hedendaagse Nederlandse teksten staat meestal Simeï, met trema, om aan te geven dat de e en de i apart worden uitgesproken. Het gaat om dezelfde persoon.
Waarom vervloekte Simeï David?
Simeï hoorde bij het huis van Saul en zag David als de man die de troon van Saul had ingenomen. Hij riep: "De HEERE heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt" (2 Samuël 16:8). Welk bloed hij bedoelde, zegt de tekst niet. David had zich onschuldig verklaard aan de dood van Abner en de moordenaars van Isboseth gestraft (2 Samuël 3:28; 2 Samuël 4:11-12). Simeï sprak vanuit bitterheid en zag zijn kans toen David zwak was.
Waarom liet David Simeï vloeken?
David zei tegen Abisai: "Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David" (2 Samuël 16:10). Hij zag in de vernedering de hand van God. Veel uitleggers verbinden dat met Natans aankondiging na de zonde met Batseba (2 Samuël 12:10-11). Ook zei hij dat zijn eigen zoon hem naar het leven stond, zodat de vloek van een Benjaminiet weinig betekende. En hij hoopte dat de HEERE hem goed zou vergelden voor deze vloek (2 Samuël 16:12).
Wat betekent man des bloeds en Belials man?
Simeï riep: "Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!" (2 Samuël 16:7). Een man des bloeds is iemand die schuldig is aan bloedvergieten. Belials man is in de Statenvertaling een vaste uitdrukking voor een nietswaardige of goddeloze man. Simeï beschuldigde David dus zowel van moord als van goddeloosheid, en dat tegen de gezalfde koning.
Waarom moest Salomo Simeï toch straffen?
David had Simeï gezworen dat hij niet zou sterven (2 Samuël 19:23), maar vroeg Salomo op zijn sterfbed hem niet onschuldig te houden (1 Koningen 2:9). Sommige uitleggers zien dat als een rechtvaardige beslissing: David was aan zijn eed gebonden, maar het vervloeken van de gezalfde bleef een misdaad. Anderen lezen er ook persoonlijke bitterheid in. De Bijbel geeft er geen oordeel over. Salomo straft Simeï pas als die zijn eigen eed breekt.
Hoe stierf Simeï?
Salomo liet Simeï in Jeruzalem wonen op voorwaarde dat hij de stad nooit zou verlaten; Simeï noemde dat woord goed (1 Koningen 2:36-38). Na drie jaar liepen twee van zijn knechten weg naar Gath. Simeï zadelde zijn ezel en haalde hen terug. Salomo hield hem zijn gebroken eed en zijn kwaad tegen David voor, en Benaja doodde hem op bevel van de koning (1 Koningen 2:46).
Is Simeï de voorvader van Mordechai?
Dat is onzeker. Mordechai heet "een zoon van Jair, den zoon van Simei, den zoon van Kis, een man van Jemini" (Esther 2:5). Ook die Simei was een Benjaminiet. Sommige uitleggers lezen Simei en Kis daar als bekende verre voorvaderen en denken dan aan deze Simeï en aan het huis van Saul; anderen lezen drie opeenvolgende generaties uit de tijd van de ballingschap. De Bijbel stelt de twee niet gelijk, en de naam kwam vaak voor.
Zijn er meer mannen met de naam Simeï in de Bijbel?
Ja, de naam komt vaak voor. In 1 Koningen 1:8 staat een Simei onder de mannen die niet met Adonia meededen, en in 1 Koningen 4:18 is "Simei, de zoon van Ela" een bestuurder van Salomo in Benjamin. Het is onzeker of een van hen dezelfde is als de zoon van Gera; veel uitleggers denken aan andere personen. Ook in Esther 2:5 en in de geslachtsregisters van Kronieken staan mannen met deze naam.
Wat kunnen wij leren van Simeï?
Simeï waarschuwt tegen bitterheid die wacht tot een ander zwak is, en tegen een belijdenis die alleen onder druk ontstaat. Davids reactie leert ons de vergelding aan God over te laten, zoals Christus deed, "Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold" (1 Petrus 2:23). En het einde van Simeï laat zien dat een eed bij de HEERE niet licht genomen mag worden.

Stel een vraag over Simeï

Wilt u meer weten over Simeï? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Simeï

Verdiep u verder