Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1050 v.Chr.

Isaï in de Bijbel

Jisjai (יִשַׁי, Hebreeuws) of Jessai (Grieks) - “Betekenis onzeker”

Wie was Isaï?

Isaï was de vader van koning David. Hij woonde in Bethlehem in Juda en was de zoon van Obed en de kleinzoon van Boaz en Ruth. In zijn huis zalfde Samuel zijn jongste zoon David tot koning (1 Samuël 16:1-13). Jesaja spreekt later van een Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï.

Isaï staat in de Bijbel vooral als vader. Het boek Ruth eindigt met zijn naam: Obed is "de vader van Isai, Davids vader" (Ruth 4:17). In 1 Samuël 16 en 17 treedt hij zelf op, en daarna komt zijn naam vooral terug in de uitdrukking "de zoon van Isai" voor David. De Statenvertaling schrijft in het Oude Testament Isai, zonder trema. In het Nieuwe Testament staat de Griekse vorm: Jessai in Mattheüs 1:5-6 en Romeinen 15:12, Jesse in Handelingen 13:22 en Lukas 3:32. Het gaat steeds om dezelfde persoon. De lijn van zijn verhaal is kort. De HEERE zegt tegen Samuel: "Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien" (1 Samuël 16:1). Isaï laat zijn zonen een voor een voor Samuel langsgaan, maar de HEERE kiest geen van hen. Op de vraag of dit al zijn jongens zijn, antwoordt Isaï: "De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen" (1 Samuël 16:11). Die jongste, David, wordt gezalfd "in het midden zijner broederen" (1 Samuël 16:13). Daarna blijft Isaï op de achtergrond aanwezig. Hij stuurt David met geschenken naar Saul, hij stuurt hem met proviand naar het leger, en hij moet met zijn vrouw naar Moab vluchten als Saul David vervolgt. Zijn eigen woorden en gedachten vertelt de Bijbel nauwelijks. Na zijn leven krijgt zijn naam een tweede betekenis. Jesaja voorzegt: "Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai" (Jesaja 11:1). Het beeld van de tronk, of stronk, van Isaï maakt dat vers in de advent tot een vast leesgedeelte.

Historische context

Isaï leefde aan het eind van de richterentijd en in de tijd van koning Saul. Een jaartal geeft de Bijbel niet. Als wij aannemen dat David rond 1000 voor Christus koning werd, komt het leven van Isaï ruwweg uit op de elfde eeuw voor Christus; ongeveer 1050 voor Christus is een redelijke schatting voor de tijd waarin zijn zonen volwassen werden. In de dagen van Saul was hij volgens 1 Samuël 17:12 "een man, oud, afgaande onder de mannen". Hij woonde in Bethlehem, in de heuvels van Juda. 1 Samuël 17:12 noemt hem een "Efrathischen man van Bethlehem-Juda": Efratha was een oude naam voor Bethlehem en de streek eromheen (Ruth 4:11, Micha 5:1). Hij behoorde tot de stam Juda, via de lijn van Perez, Boaz en Obed (Ruth 4:18-22, 1 Kronieken 2:12). Zijn grootmoeder Ruth kwam uit Moab. Veel uitleggers zien daarin de reden dat David zijn ouders juist bij de koning van Moab onderbracht (1 Samuël 22:3-4); de tekst zelf legt dat verband niet. Over zijn gezin geven de bronnen niet precies hetzelfde beeld. 1 Samuël 17:12 zegt dat Isaï acht zonen had, en volgens 1 Samuël 16:10 liet hij er zeven voor Samuel langsgaan voordat David werd gehaald. 1 Kronieken 2:13-15 noemt zeven zonen bij naam: Eliab, Abinadab, Simea, Nethaneel, Raddai, Ozem en David, "den zevende". Een gangbare verklaring is dat een van de zonen jong of zonder nakomelingen stierf en daarom in het geslachtsregister ontbreekt; de Bijbel zegt dat niet. In 1 Samuël heet de derde zoon Samma (1 Samuël 16:9), in Kronieken Simea. Er waren ook twee dochters: "En hun zusters waren Zeruja en Abigail" (1 Kronieken 2:16). Zeruja was de moeder van Joab, Abisai en Asa-El, krijgslieden van David (1 Kronieken 2:16). In 2 Samuël 17:25 heet Abigail "dochter van Nahas"; of Nahas een andere naam voor Isaï is, of een eerste man van Isaïs vrouw, is onder uitleggers omstreden. De naam van Isaïs vrouw, de moeder van David, noemt de Bijbel niet. Isaï was een boer en veehouder. Zijn jongste zoon hoedde de schapen (1 Samuël 16:11), en de geschenken die hij meegaf, laten zien wat zo'n huishouden voortbracht: brood, wijn en een geitenbokje voor Saul (1 Samuël 16:20), en geroosterd koren, broden en melkkazen voor het leger (1 Samuël 17:17-18). Dat een vader zijn zonen in het leger van eten voorzag, was in die tijd gewoon: een vast bevoorradingsstelsel was er nog niet. Een latere joodse overlevering in de Babylonische Talmoed (Sjabbat 55b) rekent Isaï tot vier mensen die niet om eigen zonde stierven, maar alleen door de gevolgen van de zondeval: Benjamin, Amram, Isaï en Kileab, een zoon van David. De Bijbel zegt daar niets over.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Gehoorzaam aan de oproep van de profeet: hij komt met zijn zonen ten offer (1 Samuël 16:5)
  • Zorgzaam voor zijn kinderen: hij stuurt David om naar het welzijn van zijn broers te vragen (1 Samuël 17:17-18)
  • Bereid zijn zoon af te staan en vrijgevig: hij laat David naar het hof van Saul gaan en geeft brood, wijn en een geitenbokje mee (1 Samuël 16:20-22)

Theologische betekenis

In 1 Samuël 16 is Isaï het decor van een les over Gods verkiezing. Samuel kijkt naar Eliab en denkt dat hij de gezalfde is, maar de HEERE zegt: "want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan" (1 Samuël 16:7). De jongste was niet eens bij het offer aanwezig, en God kiest juist hem. Het verhaal laat zien dat Gods keuze niet afhangt van rang, leeftijd of wat een vader van zijn kinderen verwacht. De naam van Isaï blijft daarna aan het huis van David hangen. Vijanden spreken smalend over "de zoon van Isai" (1 Samuël 25:10), vrienden spreken David aan met "gij, zoon van Isai" (1 Kronieken 12:18), en bij de scheuring van het rijk roepen de noordelijke stammen: "geen erve hebben wij aan den zoon van Isai" (1 Koningen 12:16). Ook het tweede psalmboek sluit af met: "De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde" (Psalm 72:20). Isaï staat voor de nederige oorsprong van het koningshuis: een boerenfamilie in Bethlehem. Daarom kiest Jesaja juist zijn naam: "Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen" (Jesaja 11:1). Het beeld volgt op Jesaja 10:33-34, waar God de hoge bomen omhakt. Het koningshuis van David zou worden teruggesnoeid tot een stomp. Opvallend is dat de profeet niet spreekt van de tronk van David, de koning, maar van Isaï, de gewone man. Uit die stomp komt een nieuw begin. Op Hem zal "de Geest des HEEREN rusten" (Jesaja 11:2), Hij zal de armen rechtvaardig richten, en er zal vrede komen: "de wolf zal met het lam verkeren" (Jesaja 11:6). In Jesaja 11:10 wordt het Rijsje zelf "den Wortel van Isai, Die staan zal tot een banier der volken". Het Nieuwe Testament leest deze profetie als vervuld in Christus. Paulus haalt haar aan om te laten zien dat de heidenen in Hem delen in Gods barmhartigheid: "Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen" (Romeinen 15:12). Mattheüs noemt Isaï in het geslachtsregister van Jezus (Mattheüs 1:5-6), en Openbaring noemt Christus "de Wortel Davids" (Openbaring 5:5). In de kerkelijke traditie leeft deze profetie voort in de Boom van Jesse, een stamboom van Christus die uit de liggende Isaï opgroeit, op middeleeuwse glas-in-loodramen en in handschriften. Ook het oude kerstlied Es ist ein Ros entsprungen bezingt het rijsje uit de wortel van Jesse. Dat zijn latere beelden; de grond ervoor ligt in Jesaja 11.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Jisjai (יִשַׁי, Hebreeuws) of Jessai (Grieks)

Betekenis

Betekenis onzeker

Betekenis van de naam Isaï: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Zoon van Obed

Het boek Ruth eindigt met een geslachtslijst: Boaz gewon Obed, Obed gewon Isaï, en Isaï gewon David. Zo staat Isaï tussen het verhaal van Ruth en het koningshuis van David.

Ruth 4:17-22

2

Samuel zalft de jongste zoon

Samuel komt naar Bethlehem en nodigt Isaï en zijn zonen ten offer. Zeven zonen gaan voorbij zonder dat de HEERE er een kiest. De jongste wordt van de schapen gehaald en in het midden van zijn broers gezalfd.

1 Samuël 16:1-13

3

Een oude man met acht zonen

Isaï is inmiddels oud. Zijn drie oudste zonen, Eliab, Abinadab en Samma, volgen Saul in de oorlog tegen de Filistijnen, terwijl David heen en weer gaat tussen het hof en de schapen van zijn vader.

1 Samuël 17:12-15

4

Proviand voor het leger

Isaï stuurt David met geroosterd koren en tien broden naar zijn broers in het eikendal, en met tien melkkazen voor de oversten over duizend. Daar hoort David de uitdaging van Goliath.

1 Samuël 17:17-23

5

Saul spot met de zoon van Isaï

Als David niet aan de maaltijd van de nieuwe maan verschijnt, spreekt Saul over hem als "de zoon van Isai". In zijn mond is het een smalende aanduiding van een man die hij als bedreiging ziet.

1 Samuël 20:27-31

6

Onderdak in Moab

Op de vlucht voor Saul vraagt David de koning van Moab om zijn vader en moeder op te nemen. Zij blijven daar zolang David in de vesting is.

1 Samuël 22:3-4

7

De laatste woorden van David

Aan het eind van zijn leven spreekt David zijn laatste woorden als "David, de zoon van Isai". De koning noemt zich nog steeds naar zijn vader uit Bethlehem.

2 Samuël 23:1

8

Het Rijsje uit de tronk van Isaï

Eeuwen later belooft Jesaja een Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï, op wie de Geest des HEEREN zal rusten. De heidenen zullen naar de Wortel van Isaï vragen.

Jesaja 11:1-10

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Isaï beter te begrijpen.

Ruth 4:17

“En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isai, Davids vader.”

Het boek Ruth eindigt bij Isaï en David. Door Ruth en Boaz loopt de lijn naar het koningshuis.

1 Samuël 16:1

“Toen zeide de HEERE tot Samuel: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israel? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.”

Na de verwerping van Saul wijst God het huis van Isaï in Bethlehem aan als de plaats van de nieuwe koning.

1 Samuël 16:10-11

“Alzo liet Isai zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch Samuel zeide tot Isai: De HEERE heeft dezen niet verkoren. Voorts zeide Samuel tot Isai: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuel nu zeide tot Isai: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.”

Isaï laat zijn zonen langsgaan, maar de jongste is bij de schapen. Samuel laat de maaltijd wachten tot hij er is.

1 Samuël 17:12

“David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.”

De verteller stelt Isaï opnieuw voor: een Efrathiet uit Bethlehem, oud in de dagen van Saul, met acht zonen.

1 Samuël 22:3

“En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.”

Op de vlucht voor Saul brengt David zijn ouders in veiligheid in Moab, het land van zijn overgrootmoeder Ruth.

Jesaja 11:1

“Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.”

De bekendste vermelding van Isaï: uit de afgehouwen stomp van zijn huis komt een nieuwe Koning voort. Een vast adventsvers.

Jesaja 11:10

“Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isai, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.”

Het Rijsje wordt de Wortel van Isaï, een banier waar ook de volken buiten Israël naar vragen.

Romeinen 15:12

“En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.”

Paulus haalt Jesaja 11:10 aan als bewijs dat de heidenen in Christus delen in Gods beloften. Hier heet Isaï Jessai.

Tijdperiode

~1050 v.Chr.

Isaï leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Isaï liet zijn zonen langsgaan in de volgorde die voor de hand lag, en de jongste was niet eens geroepen. God had juist hem gekozen. Dat behoedt ons ervoor mensen in te delen naar leeftijd, uiterlijk of plaats in het gezin. De HEERE ziet immers "het hart aan" (1 Samuël 16:7), ook bij wie in onze ogen nog overig is. Isaï was geen held of profeet. Hij was een vader die zijn zoon naar het hof liet gaan, zijn kinderen in het leger van eten voorzag en op zijn oude dag moest vluchten. Toch staat zijn naam in de stamboom van Christus (Mattheüs 1:5-6). Wij mogen geloven dat God ook door het gewone werk in een gezin Zijn plan uitvoert, al zien wij daar zelf weinig van. De profetie van de afgehouwen tronk geeft hoop wanneer iets afgedaan lijkt. Het koningshuis van David zou worden teruggesnoeid tot een stomp, en juist daar beloofde God "een Rijsje" (Jesaja 11:1). In de advent zien wij uit naar de Koning die uit die stomp is opgekomen. Wat voor mensen voorbij is, hoeft dat voor God niet te zijn. En de Wortel van Isaï is een banier voor de volken. Paulus schrijft: "op Hem zullen de heidenen hopen" (Romeinen 15:12). De lijn die begon bij een Moabietische overgrootmoeder en een boerengezin in Bethlehem, loopt uit op een Koning voor mensen uit alle volken. Dat nodigt ons uit om onze hoop op Hem te stellen.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Isaï

Wie was Isaï in de Bijbel?
Isaï was de vader van koning David. Hij woonde in Bethlehem in Juda en was de zoon van Obed en de kleinzoon van Boaz en Ruth (Ruth 4:17-22). God zond de profeet Samuel naar zijn huis om een van zijn zonen tot koning te zalven, en de keus viel op de jongste, David (1 Samuël 16:1-13). Jesaja spreekt later van een Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï (Jesaja 11:1).
Wat betekent de naam Isaï?
De betekenis van de naam is onzeker. Sommigen verbinden hem met het Hebreeuwse jesj, dat er is of bestaan betekent; anderen denken aan de betekenis geschenk. Geen van die verklaringen is zeker, en de Bijbel legt de naam zelf niet uit. In het Hebreeuws luidt de naam Jisjai. De Statenvertaling schrijft in het Oude Testament Isai, in het Nieuwe Testament Jessai of Jesse.
Waar staat Isaï in de Bijbel?
Isaï treedt op in 1 Samuël 16 en 17. Hij staat in de geslachtslijsten van Ruth 4:17-22 en 1 Kronieken 2:12-16, en in 1 Samuël 22:3-4 brengt David hem naar Moab. Daarnaast heet David vaak "de zoon van Isai", onder meer in 1 Samuël 20, 2 Samuël 23:1 en Psalm 72:20. Bekend zijn ook Jesaja 11:1 en Jesaja 11:10. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 1:5-6, Lukas 3:32, Handelingen 13:22 en Romeinen 15:12.
Is Isaï dezelfde als Jesse of Jessai?
Ja. De Statenvertaling volgt in het Oude Testament het Hebreeuws en schrijft Isai. In het Nieuwe Testament volgt zij de Griekse vorm: "En Jessai gewon David, den koning" (Mattheüs 1:6), en ook Romeinen 15:12 heeft Jessai. Handelingen 13:22 en Lukas 3:32 schrijven Jesse. Het gaat steeds om dezelfde man, de vader van David. Ook de Boom van Jesse in de kerkelijke kunst is naar hem genoemd.
Hoeveel zonen had Isaï?
Volgens 1 Samuël 17:12 had Isaï acht zonen, en in 1 Samuël 16:10 laat hij er zeven voor Samuel langsgaan voordat David wordt gehaald. 1 Kronieken 2:13-15 noemt er zeven bij naam, met David als zevende: Eliab, Abinadab, Simea, Nethaneel, Raddai, Ozem en David. Een gangbare verklaring is dat een zoon jong of kinderloos stierf; de tekst zegt dat niet. Isaï had ook twee dochters, Zeruja en Abigail (1 Kronieken 2:16).
Waarom riep Isaï David niet bij de zalving?
De Bijbel geeft geen reden. Isaï zegt alleen: "De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen" (1 Samuël 16:11). Misschien moest er iemand bij de kudde blijven, of verwachtte niemand dat de jongste in aanmerking kwam. Wat de tekst wel laat zien, is dat God anders kiest dan mensen verwachten. Samuel wilde niet aanzitten voordat David er was, en de HEERE zei: "Sta op, zalf hem, want deze is het" (1 Samuël 16:12).
Wat betekent een rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï?
In Jesaja 11:1 staat: "Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen." Een tronk is de stomp van een omgehakte boom. Jesaja voorzegt dat het koningshuis van David wordt teruggesnoeid, maar dat God uit die stomp een nieuwe Koning laat opkomen, op wie de Geest des HEEREN rust. De kerk leest dit als een belofte van Christus; daarom is het een vast adventsgedeelte.
Wat is de wortel van Isaï?
Jesaja 11:10 noemt de beloofde Koning "den Wortel van Isai, Die staan zal tot een banier der volken". Paulus haalt dat aan in Romeinen 15:12: "Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen." Het Nieuwe Testament ziet die belofte vervuld in Jezus Christus, die in Openbaring 5:5 ook "de Wortel Davids" heet.
Wie waren de ouders en grootouders van Isaï?
Isaï was de zoon van Obed. Obed was de zoon van Boaz en de Moabietische Ruth: "En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai" (1 Kronieken 2:12). Ruth en Boaz waren dus de grootouders van Isaï en de overgrootouders van David. De naam van de moeder van Isaï noemt de Bijbel niet, en ook de naam van zijn vrouw, de moeder van David, is niet overgeleverd.
Waarom bracht David zijn ouders naar Moab?
Toen Saul David vervolgde, waren ook zijn familieleden in gevaar. David vroeg de koning van Moab: "Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal" (1 Samuël 22:3). Zij bleven daar zolang David in de vesting was. Veel uitleggers wijzen erop dat Isaïs grootmoeder Ruth uit Moab kwam, wat de keuze voor Moab kan verklaren; de tekst zegt dat niet uitdrukkelijk.
Waarom noemde Saul David de zoon van Isaï?
Saul gebruikte die aanduiding vooral als hij boos was: "Waarom is de zoon van Isai noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?" (1 Samuël 20:27). Door David niet bij naam te noemen, wees hij op zijn eenvoudige afkomst. Ook Nabal zei smalend: "Wie is David, en wie is de zoon van Isai?" (1 Samuël 25:10). Maar David zelf noemde zich in zijn laatste woorden met eer "David, de zoon van Isai" (2 Samuël 23:1).
Wat kunnen wij leren van Isaï?
Dat God anders kiest dan wij: de jongste zoon was bij de schapen en werd niet meegeroepen, maar de HEERE zag zijn hart aan (1 Samuël 16:7). Dat God ook door een gewoon gezin in Bethlehem Zijn plan uitvoert, zodat Isaï in de stamboom van Christus staat. En dat er hoop is waar iets afgedaan lijkt: uit de afgehouwen tronk van Isaï beloofde God een Rijsje, de Koning op wie ook de volken mogen hopen.

Stel een vraag over Isaï

Wilt u meer weten over Isaï? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Isaï

Bijbelverhalen rond Isaï

Verdiep u verder