Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1015 v.Chr.

Doëg in de Bijbel

Doëg (דֹּאֵג, Hebreeuws) - “Mogelijk: bezorgd”

Wie was Doëg?

Doëg was een Edomiet en de opperherder van koning Saul. Hij zag in Nob hoe de priester Achimelech David hielp, meldde dat aan Saul en doodde op bevel van de koning vijfentachtig priesters (1 Samuël 22:18). Het opschrift van Psalm 52 noemt hem.

Doëg staat in 1 Samuël 21 en 22 en in het opschrift van Psalm 52. De Statenvertaling noemt hem steeds "Doeg, de Edomiet". Hij was een van de knechten van Saul, "de machtigste onder de herderen, die Saul had" (1 Samuël 21:7). Hij komt in beeld op een stil moment. David was op de vlucht voor Saul en kwam in Nob bij de priester Achimelech. Hij kreeg daar de heilige broden en het zwaard van Goliath. Doëg was die dag in Nob, "opgehouden voor het aangezicht des HEEREN". Waarom, zegt de tekst niet. Hij zag alles, en David merkte hem op. Enige tijd later zat Saul op een heuvel te Rama en beschuldigde hij zijn knechten ervan dat zij met David samenspanden. Toen sprak Doëg: "Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub" (1 Samuël 22:9). Saul ontbood alle priesters, en hoewel Achimelech eerlijk verklaarde dat hij van niets wist, sprak de koning het doodvonnis uit. Zijn eigen knechten weigerden het uit te voeren. Doëg niet. Het verhaal heeft een uitloper in de persoon van Abjathar, de enige zoon van Achimelech die ontkwam. Hij werd de priester die bij David bleef.

Historische context

De gebeurtenissen vallen in de jaren dat David voor Saul vluchtte, waarschijnlijk rond 1015 v.Chr. De Bijbel geeft geen jaartal. David was al gezalfd (1 Samuël 16), had Goliath verslagen en was aan het hof in ongenade gevallen. Nob was een stad van priesters in het gebied van Benjamin (Nehemia 11:32), dicht bij Jeruzalem (Jesaja 10:32). Het hele huis van Achimelech woonde er (1 Samuël 22:11). Volgens de kanttekening bij 1 Samuël 21:1 was in die tijd de ark des verbonds te Nob; daarom waren er zoveel priesters bij elkaar (1 Samuël 22:18). Achimelech was een zoon van Ahitub (1 Samuël 22:9), en een Ahitub wordt in 1 Samuël 14:3 genoemd als kleinzoon van Eli. Of Achimelech dezelfde is als de priester Ahia uit dat vers, of diens broer, is niet zeker. Dat Doëg een Edomiet was, is opmerkelijk. Edom stamde af van Ezau, en Saul had tegen Edom gestreden (1 Samuël 14:47). De kanttekeningen bij de Statenvertaling denken dat Doëg van geboorte Edomiet was, maar de godsdienst van Israël had aangenomen; daarom kon hij "voor het aangezicht des HEEREN" in Nob zijn. Zij noemen ook een andere lezing: Adomiet, iemand uit de plaats Adama. De priesters droegen "den linnen lijfrok" (1 Samuël 22:18), het kleed van hun dienst. Dat de knechten van Saul hun hand niet wilden uitsteken tegen "de priesters des HEEREN" (1 Samuël 22:17), toont het ontzag voor hun ambt. De kanttekening bij 1 Samuël 2:33 houdt het voor mogelijk dat deze slachting deel was van wat God over het huis van Eli had gezegd, zonder daarmee Saul of Doëg vrij te pleiten.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Had een hoge positie: hij was "de machtigste onder de herderen" van Saul (1 Samuël 21:7)

−Zwakke kanten

  • Gebruikte wat hij in Nob had gezien om bij de koning in de gunst te komen; de kanttekeningen noemen hem een hoofse pluimstrijker (1 Samuël 22:9)
  • Gaf een verslag dat onschuldige priesters schuldig deed lijken (Psalm 52:4)
  • Voerde zonder aarzelen een bevel uit dat anderen weigerden (1 Samuël 22:17-18)

Theologische betekenis

Het verhaal van Doëg staat tussen twee koningen. Saul, verworpen door God, keert zich tegen de priesters des HEEREN. David, gezalfd maar nog op de vlucht, neemt de enige overlevende in bescherming: "Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken" (1 Samuël 22:23). Het priesterschap zoekt veiligheid bij de toekomstige koning. David nam ook zelf schuld op zich: "ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis" (1 Samuël 22:22). Hij had in Nob gezegd dat hij op een zaak van de koning was, en Achimelech wist van niets. Psalm 52 geeft Gods oordeel over Doëg. Het opschrift verbindt de psalm met zijn verslag aan Saul (Psalm 52:2). David noemt zijn tong "als een geslepen scheermes, werkende bedrog" (Psalm 52:4). Wat Doëg zei, was voor het grootste deel gebeurd, maar hij bracht het zo dat het leek alsof de priesters tegen Saul samenspanden. Zijn tong verraadde, zijn hand doodde. Tegenover hem stelt David zichzelf: "Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos" (Psalm 52:10). De kanttekening bij Handelingen 1:20 zegt dat David de woorden van Psalm 109, "een ander neme zijn ambt" (Psalm 109:8), wel schijnt te spreken van Doëg, en dat Petrus ze terecht op Judas toepast, omdat David een voorbeeld van Christus was. Zo wordt de verrader van de gezalfde koning een voorafschaduwing van de verrader van Christus. Jezus verwijst naar dezelfde dag in Nob, toen David de toonbroden at (Mattheüs 12:3-4). Doëg noemt Hij niet, maar het verhaal laat zien hoe duur die dag de priesters van Nob kwam te staan.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Doëg (דֹּאֵג, Hebreeuws)

Betekenis

Mogelijk: bezorgd

Sleutelmomenten

1

Doëg in Nob

David krijgt van de priester Achimelech de toonbroden en daarna het zwaard van Goliath. Doëg de Edomiet, de opperherder van Saul, is die dag in Nob en ziet het.

1 Samuël 21:7

2

Doëg brengt verslag uit

Saul verwijt zijn knechten uit Benjamin dat niemand hem iets over David vertelt. Doëg meldt dat Achimelech de HEERE voor David vroeg en hem teerkost en het zwaard van Goliath gaf.

1 Samuël 22:6-10

3

Achimelech voor Saul

Achimelech en de priesters worden ontboden. Achimelech prijst de trouw van David en zegt dat hij van geen samenzwering wist. Saul spreekt toch het doodvonnis uit over hem en het hele huis van zijn vader.

1 Samuël 22:11-16

4

De priesters van Nob gedood

De knechten van de koning weigeren hun hand tegen de priesters des HEEREN uit te steken. Op bevel van Saul doodt Doëg vijfentachtig priesters en slaat hij ook de stad Nob.

1 Samuël 22:17-19

5

Abjathar ontkomt naar David

Abjathar, een zoon van Achimelech, vlucht naar David en vertelt wat er gebeurd is. David zegt dat hij die dag al wist dat Doëg het aan Saul zou vertellen, en neemt Abjathar onder zijn bescherming.

1 Samuël 22:20-23

6

Psalm 52

Volgens het opschrift schreef David Psalm 52 toen Doëg Saul had verteld dat David bij Achimelech was geweest. De psalm spreekt over een geweldige die zich in het kwaad beroemt.

Psalm 52:1-11

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Doëg beter te begrijpen.

1 Samuël 21:7

“Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doeg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.”

De eerste vermelding van Doëg, midden in het verhaal van David in Nob. De schrijver introduceert hem omdat hij later een rol speelt.

1 Samuël 22:9

“Toen antwoordde Doeg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub;”

Doëg neemt het woord als Saul klaagt dat niemand hem iets vertelt. Hij noemt David, net als Saul in vers 7, alleen de zoon van Isaï; de kanttekeningen zien daarin een hoveling die zijn meester naar de mond praat.

1 Samuël 22:18

“Toen zeide de koning tot Doeg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doeg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.”

Wat de knechten van Saul weigerden, deed Doëg. De linnen lijfrok was het kleed van de priesterlijke dienst.

1 Samuël 22:22

“Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doeg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.”

David erkent dat hij Doëg had gezien en zichzelf mede schuldig acht aan wat er gebeurde.

Psalm 52:4

“Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.”

In Psalm 52 richt David zich tot de geweldige. Het opschrift (Psalm 52:2) verbindt de psalm met Doëg; de kanttekeningen lezen werkende bedrog ook als aanspraak: O gij werker des bedrogs.

Psalm 52:10

“Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.”

Tegenover de man die op zijn rijkdom en macht vertrouwde, stelt David zijn vertrouwen op Gods goedertierenheid.

Tijdperiode

~1015 v.Chr.

Doëg leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Doëg laat zien dat ook ware woorden kwaad kunnen doen. Hij vertelde wat hij gezien had, maar zweeg over wat Achimelech niet wist, en zo werden onschuldige mensen schuldig verklaard. De Bijbel noemt dat bedrog. Het is goed om niet alleen te vragen of wat wij zeggen waar is, maar ook waarom en hoe wij het zeggen. Het verhaal stelt ook de grens van menselijk gezag aan de orde. De knechten van Saul weigerden een onrechtvaardig bevel, Doëg voerde het uit. Gehoorzaamheid aan wie boven ons gesteld zijn, is goed, maar niet wanneer zij ons opdragen te doen wat God verbiedt. David erkende dat hij oorzaak had gegeven, al had hij het niet zo gewild. Wie door eigen onvoorzichtigheid anderen in gevaar brengt, mag dat eerlijk erkennen, zoals David deed. Psalm 52 geeft ook troost. Wie onrecht ziet zegevieren, mag met David zeggen: "Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag" (Psalm 52:3). Het laatste woord is niet aan de geweldige die op zijn macht vertrouwt, maar aan God.

Veelgestelde vragen over Doëg

Wie was Doëg in de Bijbel?
Doëg was een Edomiet in dienst van koning Saul, "de machtigste onder de herderen, die Saul had" (1 Samuël 21:7). Hij zag in Nob hoe de priester Achimelech de vluchtende David brood en het zwaard van Goliath gaf, en meldde dat aan Saul. Toen de knechten van Saul weigerden de priesters te doden, deed Doëg het. Psalm 52 is volgens het opschrift naar aanleiding van hem geschreven.
Waar staat Doëg in de Bijbel?
Doëg staat in 1 Samuël 21:7, waar hij in Nob is als David daar komt, en in 1 Samuël 22:9-22, waar hij Saul inlicht en de priesters doodt. Daarnaast noemt het opschrift van Psalm 52 hem bij naam (Psalm 52:2). Het Nieuwe Testament noemt Doëg niet, al verwijst Jezus wel naar Davids bezoek aan Nob (Mattheüs 12:3-4).
Hoe schrijf je Doëg?
Doëg, met een trema: de o en de e worden apart uitgesproken, Do-ëg. Wie zonder trema zoekt, vindt dezelfde persoon onder Doeg. De Bijbel noemt hem steeds met zijn afkomst erbij, "Doeg, de Edomiet" (1 Samuël 22:9). Het opschrift van Psalm 52 noemt hem op dezelfde manier (Psalm 52:2).
Wat deed Doëg in Nob?
Doëg was op de dag dat David in Nob kwam "opgehouden voor het aangezicht des HEEREN" (1 Samuël 21:7). Waarom, zegt de tekst niet. De kanttekeningen noemen mogelijke redenen, zoals de sabbat, aanbidding of het nakomen van een gelofte. Later keerde hij met het bevel van Saul terug: hij doodde vijfentachtig priesters en sloeg de stad Nob met het zwaard (1 Samuël 22:18-19).
Waarom wilden de knechten van Saul de priesters niet doden?
De tekst zegt dat zij "hun hand niet uitsteken, om op de priesters des HEEREN aan te vallen" (1 Samuël 22:17). Zij hadden ontzag voor de dienaren van God en zagen waarschijnlijk dat de priesters onschuldig waren. Achimelech had zich net verdedigd met de woorden dat hij van de hele zaak niets wist. Doëg, de vreemdeling, had die terughoudendheid niet.
Hoe ontkwam Abjathar aan Doëg?
Abjathar, een zoon van de priester Achimelech, was de enige van zijn familie die aan de slachting in Nob ontkwam. Hij vluchtte naar David en vertelde wat Saul gedaan had (1 Samuël 22:20-21). David zei: "Blijf bij mij; vrees niet" (1 Samuël 22:23). Abjathar bracht de efod mee (1 Samuël 23:6) en bleef priester bij David. Salomo zette hem af en zond hem naar Anathoth, waarmee het woord over het huis van Eli in vervulling ging (1 Koningen 2:26-27).
Over wie gaat Psalm 52?
Het opschrift van Psalm 52 verbindt de psalm met Doëg: "Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven" (Psalm 52:2). In de Statenvertaling is het opschrift vers 1 en 2, en begint de psalm zelf bij vers 3. David spreekt een geweldige aan die zich in het kwaad beroemt en wiens tong bedrog werkt, en stelt daar zijn vertrouwen op Gods goedertierenheid tegenover.
Was Doëg een Edomiet?
Ja, de Bijbel noemt hem steeds "de Edomiet". Edom stamde af van Ezau, de broer van Jakob. De kanttekeningen denken dat hij van geboorte Edomiet was, maar de godsdienst van Israël had aangenomen, wat zou verklaren waarom hij bij het heiligdom in Nob was. Zij vermelden ook de lezing Adomiet, iemand uit de plaats Adama. Dat Saul een Edomiet zo hoog liet opklimmen, zegt de tekst zonder commentaar.
Wat zegt de joodse traditie over Doëg?
De Misjna (Sanhedrin 10:2, in sommige uitgaven 11:2) noemt Doëg samen met Bileam, Achitofel en Gehazi onder de mensen die geen deel hebben aan de toekomende wereld. Dat is een latere joodse uitleg, geen bijbels gegeven. De Bijbel zelf vertelt niet hoe Doëg aan zijn einde kwam. Psalm 52:7 zegt wel dat God de geweldige zal "uitwortelen uit het land der levenden".
Wat kunnen wij leren van Doëg?
Doëg leert ons dat ook ware woorden bedrog kunnen zijn, als ze zo gebracht worden dat een onschuldige schuldig lijkt. Hij laat ook zien dat gehoorzaamheid aan mensen een grens heeft: de knechten van Saul die weigerden, deden het goede. En Psalm 52 troost wie onrecht ziet: Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

Stel een vraag over Doëg

Wilt u meer weten over Doëg? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Doëg

Verdiep u verder