Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1400 v.Chr.

Og, de koning van Basan in de Bijbel

Og (עוֹג, Hebreeuws) - “Betekenis onzeker”

Wie was Og, de koning van Basan?

Og was de koning van Basan, ten oosten van de Jordaan, aan het einde van de woestijnreis. Hij trok Israël tegemoet bij Edrei en werd verslagen (Numeri 21:33-35). De Bijbel noemt hem een overblijfsel van de reuzen en vermeldt zijn ijzeren bedstede van negen el (Deuteronomium 3:11).

Og, de koning van Basan, staat in Numeri 21:33-35 en uitgebreider in Deuteronomium 3:1-13. Daarna wordt hij steeds weer genoemd, bijna altijd samen met Sihon, de koning der Amorieten: in Deuteronomium, Jozua, 1 Koningen 4:19, Nehemia 9:22 en Psalm 135 en 136. De Statenvertaling schrijft het land in Numeri 21 en de Psalmen als Basan, in Deuteronomium en Jozua meestal als Bazan. Het verhaal speelt in het veertigste jaar na de uittocht. Israël trok om Edom en Moab heen en vroeg Sihon om doortocht. Sihon weigerde en werd verslagen (Numeri 21:21-25). Daarna trok het volk naar het noorden, naar Basan, en daar kwam Og hen met al zijn volk tegemoet bij Edrei. God zei tot Mozes: "Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven" (Numeri 21:34). Og, zijn zonen en zijn volk vielen. Direct daarna zag Balak, de koning van Moab, "al wat Israel aan de Amorieten gedaan had" (Numeri 22:2), en hij liet Bileam halen. Mozes blikt er in Deuteronomium 3 op terug. Hij noemt de zestig steden van Og, de hoge muren en de grendels, en hij voegt een opmerkelijke zin toe: Og was het laatste overblijfsel van de reuzen, en zijn ijzeren bedstede was nog te zien in Rabba van de Ammonieten (Deuteronomium 3:11). Voor het volk werd de overwinning op Sihon en Og een teken van wat God nog zou doen. Toen de verspieders in Jericho kwamen, zei Rachab dat het nieuws ook daar was aangekomen (Jozua 2:10).

Historische context

Deuteronomium 1:3-4 plaatst de toespraken van Mozes in het veertigste jaar, na de overwinning op Sihon en Og. Bij de vroege datering van de uittocht is dat rond 1400 voor Christus, bij de late in de dertiende eeuw. Welke van de twee juist is, blijft onzeker. Basan was het vruchtbare hoogland ten oosten van het Meer van Galilea (in de Statenvertaling de zee Cinnereth), tussen de berg Hermon in het noorden en Gilead in het zuiden. De Bijbel noemt het om zijn vee en zijn eiken (Jesaja 2:13; Ezechiël 27:6); Amos spreekt van de "koeien van Basan" (Amos 4:1) en Psalm 22:13 van "sterke stieren van Basan". Og woonde te Astharoth en te Edrei (Jozua 12:4; zie ook Jozua 13:12). Deuteronomium 3:4-5 noemt zestig steden in de landstreek Argob, "met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt", en daarnaast veel onbemuurde steden. Het woord dat de Statenvertaling met reuzen weergeeft (Deuteronomium 3:11), is in het Hebreeuws hetzelfde als de naam Refaïeten. Volgens Genesis 14:5 woonden Refaïeten al in de tijd van Abraham in Asteroth-Karnaim, in dezelfde streek. Deuteronomium 2:10-11 en 2:20-21 noemen zulke grote volken onder andere namen, en Deuteronomium 3:13 zegt dat Basan "het land der reuzen" werd genoemd. Later noemt de Bijbel nog vier mannen die "aan Rafa geboren" waren te Gath (2 Samuël 21:22); veel uitleggers verbinden die naam met de Refaïeten. De bedstede van Og was negen el lang en vier el breed, "naar eens mans elleboog" (Deuteronomium 3:11). Met een el van ongeveer vijfenveertig centimeter is dat ongeveer vier bij twee meter. Uitleggers verschillen over wat ermee bedoeld is: een ledikant van ijzer, of een sarcofaag, mogelijk van het donkere basalt uit Basan. De tekst geeft de maat van de bedstede, niet de lengte van Og zelf. Latere joodse verhalen maakten van Og een legendarische reus die zelfs de zondvloed overleefde; de Bijbel zegt daar niets van.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Machtig koning over zestig versterkte steden (Deuteronomium 3:4-5)

−Zwakke kanten

  • Hij koos de strijd tegen het volk van God (Deuteronomium 3:1)

Theologische betekenis

Bij Og staat het woord van God centraal: "Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven" (Numeri 21:34; Deuteronomium 3:2). Achtendertig jaar eerder (Deuteronomium 2:14) hadden de verspieders gezegd dat zij als sprinkhanen waren tegenover de reuzen (Numeri 13:33), en het volk durfde niet op te trekken. Nu ontmoette de nieuwe generatie een koning uit het overblijfsel der reuzen, en God gaf hem in hun hand. Deuteronomium 3:3 zegt het met nadruk: "de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand". De overwinning werd een vast punt in het geheugen van Israël. Mozes bemoedigde het volk ermee voor de tocht over de Jordaan: de HEERE zal hun doen "gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft" (Deuteronomium 31:4). Rachab noemde het als reden voor haar geloof (Jozua 2:10-11). Psalm 135:11 en Psalm 136:19-20 zingen ervan, en Psalm 136 doet dat met het refrein "want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid". Ook Nehemia 9:22 noemt het land van Og in het gebed van de Levieten. De verbanning van de steden van Og (Deuteronomium 3:6) is een moeilijk gedeelte. De Schrift stelt het voor als Gods oordeel over de Amorieten, van wie God al tegen Abraham zei dat hun ongerechtigheid "tot nog toe niet volkomen" was (Genesis 15:16). Het was een opdracht voor die tijd en dat land, geen algemene regel voor Gods volk. Amos 2:9 laat God terugzien op die tijd: "Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen". De overwinning op Og is daarmee niet de roem van Israël, maar een daad van God die het volk niet mocht vergeten.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Og (עוֹג, Hebreeuws)

Betekenis

Betekenis onzeker

Sleutelmomenten

1

Op weg naar Basan

Sihon, de koning der Amorieten in Hesbon, weigert Israël de doortocht, trekt ten strijde en wordt verslagen. Israël neemt zijn land in van de Arnon tot de Jabbok en slaat daarna de weg naar Basan in.

Numeri 21:23-24

2

De slag bij Edrei

Als Israël de weg naar Basan inslaat, trekt Og met al zijn volk ten strijde bij Edrei. God zegt tot Mozes: Vrees hem niet. Og, zijn zonen en zijn volk worden verslagen.

Numeri 21:33-35

3

Zestig steden ingenomen

Israël neemt alle steden van Og in: zestig steden in de landstreek Argob, gesterkt met hoge muren, poorten en grendels, en daarbij veel onbemuurde steden.

Deuteronomium 3:3-7

4

De ijzeren bedstede

Mozes noemt Og het laatste overblijfsel van de reuzen. Zijn ijzeren bedstede van negen el lang en vier el breed is nog te zien in Rabba van de Ammonieten.

Deuteronomium 3:11

5

Het land aan Manasse

Mozes geeft het overige van Gilead en heel Basan, het koninkrijk van Og, aan de halve stam Manasse.

Deuteronomium 3:13

6

Rachab heeft het gehoord

In Jericho zegt Rachab tegen de verspieders dat men gehoord heeft wat Israël aan Sihon en Og gedaan heeft, en dat het hart van de inwoners versmolten is.

Jozua 2:10

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Og, de koning van Basan beter te begrijpen.

Numeri 21:34

“De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.”

Gods woord voor de slag bij Edrei. Dezelfde belofte staat in Deuteronomium 3:2.

Deuteronomium 3:3

“En de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.”

Mozes schrijft de overwinning toe aan God. Let op de spelling Bazan in Deuteronomium.

Deuteronomium 3:11

“Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.”

Het bekendste vers over Og. Uitleggers verschillen over de vraag of met de bedstede een ledikant of een sarcofaag bedoeld is.

Jozua 2:10

“Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt.”

Rachab in Jericho noemt Sihon en Og naast de doortocht door de Schelfzee.

Deuteronomium 31:4

“En de HEERE zal hun doen, gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.”

Mozes bemoedigt het volk voor de tocht over de Jordaan met wat God aan Sihon en Og gedaan had.

Psalm 136:20

“En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”

In Psalm 136 wordt de overwinning op Og bezongen als een daad van Gods goedertierenheid.

Tijdperiode

~1400 v.Chr.

Og, de koning van Basan leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Og laat zien dat wat groot en sterk lijkt, niet het laatste woord heeft. Een koning uit het overblijfsel der reuzen met zestig versterkte steden: dat was precies waarvoor de vorige generatie was teruggeschrokken. God zei tot Mozes: "Vrees hem niet". Ook voor ons is de grootte van een tegenstander niet de maat van wat God kan doen. God wil dat Zijn daden onthouden worden. De overwinning op Og werd verteld door Mozes, gehoord door Rachab, bezongen in de psalmen en beleden in het gebed van Nehemia 9. Wat God in het verleden deed, is bemoediging voor de weg die nog komt. Opvallend is hoe nuchter de Bijbel over Og spreekt. De tekst noemt zijn bedstede en de maat ervan, maar maakt van Og geen legende. Wie de Schrift leest, mag zich houden aan wat er staat, zonder de verhalen die later om hem heen zijn ontstaan. Israël zong niet over zijn eigen kracht, maar over Gods goedertierenheid. Ook een overwinning is reden om God te danken, niet om onszelf te roemen.

Veelgestelde vragen over Og, de koning van Basan

Wie was Og, de koning van Basan, in de Bijbel?
Og was de koning van Basan, het land ten oosten van de Jordaan, in het laatste jaar van de woestijnreis. Hij woonde te Astharoth en te Edrei (Jozua 12:4) en regeerde over zestig ommuurde steden. Toen Israël na de overwinning op Sihon naar Basan trok, kwam Og hen tegemoet bij Edrei en werd verslagen (Numeri 21:33-35). De Bijbel noemt hem een overblijfsel van de reuzen (Deuteronomium 3:11).
Waar staat Og in de Bijbel?
Het verhaal van Og staat in Numeri 21:33-35 en uitgebreider in Deuteronomium 3:1-13. Daarna wordt hij vaak genoemd, meestal samen met Sihon, onder meer in Numeri 32:33, Deuteronomium 1:4, 4:47, 29:7 en 31:4, in Jozua 2:10, 9:10, 12:4, 13:12 en 13:30-31, in 1 Koningen 4:19, Nehemia 9:22, Psalm 135:11 en Psalm 136:20.
Was Og een reus?
De Bijbel zegt dat Og "alleen van de overigen der reuzen overgebleven" was (Deuteronomium 3:11), en Jozua 12:4 noemt hem "van het overblijfsel der reuzen". Hij hoorde dus bij een volk dat om zijn lengte bekendstond. Mozes noemt zijn bedstede als bewijs dat hij bij de reuzen hoorde, maar hoe lang Og zelf was, staat er niet; uit de maat van een bed volgt dat niet precies.
Hoe groot was het ijzeren bed van Og?
Volgens Deuteronomium 3:11 was de bedstede van Og negen el lang en vier el breed, "naar eens mans elleboog". Met een el van ongeveer vijfenveertig centimeter is dat ongeveer vier bij twee meter. Het bed stond in Rabba van de Ammonieten. Uitleggers verschillen over de vraag of het een ledikant van ijzer was of een sarcofaag, mogelijk van donker basalt. De tekst zegt het niet.
Wie was Sihon, de koning der Amorieten?
Sihon was de koning der Amorieten die in Hesbon woonde. Hij weigerde Israël de doortocht door zijn land, trok ten strijde bij Jahza en werd verslagen (Numeri 21:21-24). Kort daarna volgde de overwinning op Og. Daarom worden Sihon en Og in de Bijbel bijna altijd samen genoemd, als "de twee koningen der Amorieten" (Jozua 2:10).
Over welk land regeerde Og?
Og regeerde over Basan, ten oosten van de Jordaan, en woonde te Astharoth en te Edrei (Jozua 12:4). Tot zijn rijk hoorden de zestig ommuurde steden van de landstreek Argob (Deuteronomium 3:4). Hij heerste ook over de berg Hermon en de helft van Gilead, tot aan de grens van Sihon (Jozua 12:5). Na de verovering gaf Mozes zijn koninkrijk aan de halve stam Manasse (Deuteronomium 3:13). Meer over de streek leest u bij de plaats Basan.
Waarom staat er soms Og, de koning van Bazan?
De Statenvertaling spelt het land op twee manieren: Basan in onder meer Numeri 21:33 en de Psalmen, Bazan meestal in Deuteronomium en Jozua (Deuteronomium 3:1). Het gaat om dezelfde koning en hetzelfde gebied. De naam Og zelf is overal gelijk; de Bijbel verklaart hem niet, en de betekenis is onzeker. Wie zoekt op Og van Basan of Og van Bazan, vindt dus dezelfde persoon.
Waarom noemt Psalm 136 Sihon en Og?
Psalm 136 bezingt de daden van God in de geschiedenis van Israël, van de schepping tot de intocht. Bij elke daad klinkt het refrein "want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid". In Psalm 136:17-22 staan de overwinningen op Sihon en Og en het geven van hun land ten erve aan Israël. Zo werd hun nederlaag een reden om God te danken. Psalm 135:11 noemt hen ook.
Overleefde Og de zondvloed?
De Bijbel zegt dat nergens. Het verhaal dat Og de zondvloed overleefde, komt uit latere joodse overlevering. De Schrift noemt hem alleen een overblijfsel van de reuzen (Deuteronomium 3:11) en vertelt over zijn koninkrijk en zijn nederlaag aan het einde van de woestijnreis, lang na de zondvloed.
Wat kunnen wij leren van Og, de koning van Basan?
Og leert ons dat wat groot en sterk lijkt, niet groter is dan God. De vorige generatie was teruggeschrokken voor de reuzen, maar God zei tot Mozes: "Vrees hem niet" (Numeri 21:34). Ook laat zijn geschiedenis zien dat God wil dat Zijn daden onthouden en bezongen worden, zoals in Psalm 136. Een overwinning is reden om God te danken, niet om onszelf te roemen.

Stel een vraag over Og, de koning van Basan

Wilt u meer weten over Og, de koning van Basan? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Og, de koning van Basan

Verdiep u verder