Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~539 v.Chr.

Darius de Meder in de Bijbel

Darjaves (דָּרְיָוֶשׁ, Aramees/Hebreeuws) - “Waarschijnlijk: die het goede vasthoudt”

Wie was Darius de Meder?

Darius de Meder was de koning die na de val van Babel het koninkrijk ontving, omtrent tweeënzestig jaar oud (Daniël 6:1). Hij tekende het gebod waardoor Daniël in de leeuwenkuil kwam, probeerde hem te redden en erkende daarna voor alle volken de levende God van Daniël.

Darius de Meder komt alleen in het boek Daniël voor. Hij verschijnt direct na het einde van Daniël 5, waar Babel valt: "In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood." Het volgende vers opent Daniël 6: "Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde" (Daniël 6:1). In Engelse bijbels staat dit vers als Daniël 5:31; de Statenvertaling telt het als het eerste vers van hoofdstuk 6. Daniël 6 is zijn hoofdstuk. Darius ordent het rijk met honderdtwintig stadhouders en drie vorsten, en Daniël is de eerste van die drie. Omdat de koning hem over het hele rijk wil zetten, zoeken de andere bestuurders een aanklacht. Die vinden zij alleen in de wet van Daniëls God. Zij laten Darius een gebod tekenen dat dertig dagen lang elk verzoek tot een god of mens verbiedt, behalve tot de koning zelf. Daniël blijft bidden met open vensters naar Jeruzalem, en Darius zit vast aan zijn eigen handtekening. Hij laat Daniël in de kuil werpen, brengt de nacht vastend en slapeloos door en vindt hem in de morgen ongedeerd. Daarna schrijft hij aan alle volken dat men moet beven voor de God van Daniël. Twee andere teksten dateren gebeurtenissen in zijn eerste jaar. In Daniël 9:1 heet hij "Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden", en in dat jaar bidt Daniël om het einde van de ballingschap. In Daniël 11:1 zegt de hemelse boodschapper dat hij in het eerste jaar van Darius de Meder stond om hem te versterken. Hij is niet te verwarren met Darius de Perziaan, in wiens tweede jaar Haggaï en Zacharia profeteerden en onder wie de tweede tempel werd voltooid (Ezra 6:15, Haggaï 1:1). Wie deze Meder historisch was, laat de Bijbel open; daarover meer in de historische achtergrond.

Historische context

Darius de Meder hoort bij de val van Babel, volgens buitenbijbelse bronnen in 539 voor Christus. Het Nieuw-Babylonische rijk van Nebukadnezar viel toen in handen van de Meden en de Perzen onder leiding van Kores (Cyrus). Het schrift aan de wand had het aangekondigd: "uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven" (Daniël 5:28). Al eerder hadden de profeten de Meden genoemd als Gods werktuig tegen Babel: "Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken" (Jesaja 13:17), en "de HEERE heeft den geest der koningen van Medie opgewekt" (Jeremia 51:11). In het gezicht van Daniël 8 staat de ram met twee hoornen voor "de koningen der Meden en der Perzen" (Daniël 8:20). Over Darius zelf zegt de Bijbel weinig: hij was een Meder, zoon van een zekere Ahasveros, omtrent tweeënzestig jaar oud, en hij werd "koning gemaakt" over het rijk der Chaldeeën (Daniël 6:1, Daniël 9:1). Die formulering suggereert volgens veel uitleggers dat hij zijn koningschap van een ander ontving. De Ahasveros die als zijn vader genoemd wordt, is vrijwel zeker niet de koning uit het boek Esther, die later regeerde. Buiten de Bijbel is een Meedse koning Darius uit deze jaren niet bekend, en de identificatie is daarom een open vraag. Sommigen denken aan Ugbaru, die volgens de Nabonidus-kroniek Babel voor Kores innam, of aan Gubaru, die er volgens dezelfde kroniek stadhouders aanstelde. Anderen lezen Daniël 6:29, "in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan", als een nadere uitleg, alsof er staat: Darius, namelijk Kores. Zij houden Darius dus voor een andere naam van Kores zelf. Josephus noemt hem een zoon van Astyages, die bij de Grieken een andere naam had; de Griekse schrijver Xenophon kent een Meedse koning Cyaxares, oom van Kores. Kritische uitleggers zien in Darius een literaire figuur. De Schrift spreekt echter over hem als een werkelijke koning, met afkomst en leeftijd. Dat hij buiten de Bijbel niet genoemd wordt, bewijst niet dat hij niet bestaan heeft; ook Belsazar was lang alleen uit Daniël bekend. Geen van de identificaties is bewezen, en de tekst vraagt ook niet om een keuze. Het verhaal veronderstelt gebruiken die elders ook voorkomen. Een getekend koninklijk bevel kon niet herroepen worden, "naar de wet der Meden en der Perzen" (Daniël 6:9); in het boek Esther geldt hetzelfde voor een geschreven en met de ring van de koning verzegeld bevel (Esther 1:19, Esther 8:8). Het indelen van het rijk in provincies onder stadhouders past bij het latere Perzische bestuur. De latere Perzische koningen met deze naam zijn Darius de Perziaan uit Ezra 4 tot 6, Haggaï en Zacharia (gewoonlijk Darius I, 522-486 voor Christus) en de Darius van Nehemia 12:22.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Hij herkende bekwaamheid en trouw en wilde Daniël over het hele rijk zetten (Daniël 6:4)
  • Hij was zeer bedroefd om Daniël en spande zich tot zonsondergang in om hem te redden (Daniël 6:15)
  • Hij sprak Daniël bij de kuil een wens van verlossing toe en bleef de hele nacht vastend wakker (Daniël 6:17-19)
  • Hij erkende openlijk voor alle volken dat de God van Daniël de levende God is (Daniël 6:27)

−Zwakke kanten

  • Hij liet zich door de vorsten overhalen een gebod te tekenen dat dertig dagen lang elk verzoek aan een god of mens verbood, behalve aan hemzelf (Daniël 6:8-10)
  • Hij liet zich door zijn eigen wet en de aandrang van de vorsten vastzetten (Daniël 6:16)
  • Zijn strafgericht trof ook de vrouwen en kinderen van de aanklagers (Daniël 6:25)

Theologische betekenis

Daniël 6 laat in Darius een koning zien die alle macht heeft en toch machteloos is. Hij kan honderdtwintig stadhouders aanstellen, maar niet één gebod intrekken. Bij de kuil zegt hij: "Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!" (Daniël 6:17). De volgende morgen vraagt hij: "O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?" (Daniël 6:21). Het antwoord van het hoofdstuk is dat God kan wat de koning niet kan. De wet der Meden en Perzen is onherroepelijk, maar zij heeft geen zeggenschap over de God van Daniël. Darius past daarmee in een lijn die het hele boek Daniël doortrekt. Daniël had al gezegd: "Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen" (Daniël 2:21). Nebukadnezar moest leren dat Gods heerschappij een eeuwige heerschappij is (Daniël 4:34), Belsazar verloor in één nacht zijn rijk, en nu belijdt Darius in een brief aan alle volken: "Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk" (Daniël 6:27). Dat sluit aan bij de belofte van het Koninkrijk dat "in der eeuwigheid niet zal verstoord worden" (Daniël 2:44) en bij de heerschappij van de Zoon des mensen in Daniël 7:14. Of Darius zelf tot geloof kwam, zegt de tekst niet. Hij erkent de God van Daniël, maar regeert als heidens vorst verder. In zijn eerste jaar krijgt de geschiedenis van Gods volk een nieuwe wending. Daniël leest bij Jeremia dat de verwoesting van Jeruzalem zeventig jaar zou duren (Jeremia 25:11-12), en bidt om vergeving en herstel (Daniël 9:1-3). Kort daarna volgt onder Kores het bevel tot terugkeer (Ezra 1:1). De wisseling van wereldrijken staat zo in dienst van Gods belofte aan Zijn volk; "Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken" (Spreuken 21:1). Veel uitleggers zien in de verzegelde steen op de kuil en de redding in de vroege morgen een schaduw van het graf van Christus, dat de overheid ook verzegelde, "den steen verzegeld hebbende" (Mattheüs 27:66). Die vergelijking wordt in de Schrift zelf niet uitgewerkt en vraagt om voorzichtigheid. Hebreeën 11:33 noemt wel de gelovigen die door het geloof "de muilen der leeuwen toegestopt" hebben, een duidelijke verwijzing naar Daniël.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Darjaves (דָּרְיָוֶשׁ, Aramees/Hebreeuws)

Betekenis

Waarschijnlijk: die het goede vasthoudt

Sleutelmomenten

1

Darius ontvangt het koninkrijk

Belsazar wordt gedood in de nacht waarin Babel valt. Direct daarna ontvangt Darius de Meder het koninkrijk, omtrent tweeënzestig jaar oud.

Daniël 6:1

2

Een bestuur met Daniël als eerste

Darius stelt honderdtwintig stadhouders aan en daarboven drie vorsten, met Daniël als eerste. Omdat er een voortreffelijke geest in Daniël is, denkt de koning hem over het hele rijk te zetten.

Daniël 6:2-4

3

Het gebod van dertig dagen

De vorsten vinden geen fout bij Daniël en laten de koning een gebod tekenen: wie dertig dagen lang iets verzoekt van een god of mens behalve van de koning, wordt in de kuil der leeuwen geworpen. Darius tekent het.

Daniël 6:5-10

4

Gevangen in zijn eigen wet

Als Daniël wordt aangeklaagd, is Darius zeer bedroefd en spant hij zich tot zonsondergang in om hem te redden. De vorsten herinneren hem eraan dat de wet der Meden en Perzen niet veranderd mag worden.

Daniël 6:13-16

5

De kuil verzegeld

Daniël wordt in de kuil geworpen, met de woorden van de koning: "Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!" Een steen sluit de kuil af, verzegeld met de ring van Darius en van zijn groten.

Daniël 6:17-18

6

Een nacht zonder slaap

Darius vast de hele nacht en kan niet slapen. In de vroege morgen roept hij bij de kuil met een droeve stem, en Daniël antwoordt dat God Zijn engel gezonden heeft. Daniël wordt ongedeerd opgetrokken.

Daniël 6:19-24

7

Straf en een bevel aan alle volken

De aanklagers worden met hun gezinnen in de kuil geworpen. Darius schrijft aan alle volken dat men moet beven voor de God van Daniël, want Hij is de levende God en Zijn koninkrijk vergaat niet.

Daniël 6:25-28

8

Het eerste jaar van Darius

In het eerste jaar van zijn regering leest Daniël bij Jeremia over de zeventig jaren van de verwoesting van Jeruzalem en zoekt hij God met gebed en vasten. De tekst zegt niet of dit voor of na de leeuwenkuil gebeurde.

Daniël 9:1-3

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Darius de Meder beter te begrijpen.

Daniël 6:1

“Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.”

Het enige vers dat zijn leeftijd en zijn aantreden noemt. In Engelse bijbels staat het als Daniël 5:31.

Daniël 6:4

“Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.”

Darius ziet Daniëls bekwaamheid en wil hem de hoogste plaats geven. Dat voornemen wekt de afgunst van de andere bestuurders.

Daniël 6:10

“Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.”

Een kort vers met grote gevolgen: met zijn handtekening bindt de koning zichzelf aan een wet die niet herroepen kan worden.

Daniël 6:15

“Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.”

De koning beseft te laat waarvoor het gebod bedoeld was en zoekt de hele dag naar een uitweg.

Daniël 6:17

“Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!”

Wat de koning niet kan, legt hij in handen van Daniëls God. Het is een wens, nog geen belijdenis.

Daniël 6:21

“Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?”

Na een slapeloze nacht noemt Darius de God van Daniël de levende God, nog voordat hij weet dat Daniël leeft.

Daniël 6:27

“Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniel; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.”

Het bevel van Darius aan alle volken. Een heidense koning belijdt wat het boek Daniël steeds zegt: Gods koninkrijk blijft.

Daniël 9:1

“In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeen;”

Hier staan zijn afkomst en zijn titel. In dit jaar bidt Daniël om het einde van de zeventig jaren ballingschap.

Tijdperiode

~539 v.Chr.

Darius de Meder leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Darius laat zien hoe gemakkelijk vleiing een mens vangt. Het gebod van dertig dagen klonk als een eerbetoon aan de koning, en hij tekende het zonder te vragen wie erdoor getroffen zou worden. Wij doen er goed aan woorden die ons strelen kritisch te wegen, zeker wanneer wij verantwoordelijkheid dragen voor anderen. Zijn verhaal leert ook dat beloften en besluiten gevolgen hebben. Darius kon zijn handtekening niet ongedaan maken, hoe graag hij ook wilde. Wie haastig spreekt of tekent, kan zichzelf en anderen klem zetten. Tegelijk zien wij dat er een grens is aan wat mensen kunnen vastleggen: de wet der Meden en Perzen hield de koning vast, maar niet God. Opvallend is de toon van de koning bij de kuil. Hij wenst Daniël toe dat zijn God hem verlost, en de volgende morgen noemt hij Hem de levende God. Wanneer onze eigen mogelijkheden op zijn, blijft de vraag over die Darius stelde: kan God verlossen? Darius gaf zelf het antwoord in zijn brief aan alle volken: "Hij verlost en redt" (Daniël 6:28). Ten slotte laat Darius zien dat God ook mensen buiten Zijn volk gebruikt om Zijn naam bekend te maken. Een Meedse koning schreef aan alle volken over de God van een balling. Dat geeft ons moed om, net als Daniël, trouw te blijven op de plaats waar God ons zet, ook als de mensen om ons heen anders denken. Onze trouw kan voor anderen een getuigenis worden van de levende God.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Darius de Meder

Wie was Darius de Meder in de Bijbel?
Darius de Meder was de koning die na de val van Babel het koninkrijk van de Chaldeeën ontving, omtrent tweeënzestig jaar oud (Daniël 6:1). Hij zette Daniël aan het hoofd van zijn bestuur, maar tekende op aandringen van jaloerse vorsten een gebod waardoor Daniël in de leeuwenkuil werd geworpen. Hij probeerde hem te redden, vond hem de volgende morgen levend terug en schreef aan alle volken dat men moest beven voor de levende God van Daniël.
Wat betekent de naam Darius?
De naam Darius komt uit het Oudperzisch en betekent waarschijnlijk: die het goede vasthoudt, of: die het goede bezit. In het Aramees en Hebreeuws van het Oude Testament luidt de naam Darjaves. Het was een koningsnaam die meerdere Perzische vorsten droegen. De Bijbel zelf geeft geen uitleg van de naam, dus de betekenis berust op de taalkunde en niet op de Schrift.
Waar staat Darius de Meder in de Bijbel?
Darius de Meder komt alleen in het boek Daniël voor. Hij ontvangt het koninkrijk in Daniël 6:1, en het hele hoofdstuk Daniël 6 vertelt over zijn bestuur, zijn gebod en Daniël in de leeuwenkuil. Daniël 9:1 noemt zijn afkomst als zoon van Ahasveros, en Daniël 11:1 spreekt over zijn eerste jaar. Ook Daniël 5:28 en 5:30 horen bij zijn verhaal, omdat daar het rijk aan de Meden en Perzen overgaat.
Staat Darius in Daniël 5:31?
In Engelse bijbels staat het vers over Darius als Daniël 5:31. De Statenvertaling volgt de indeling van de grondtekst en telt het als Daniël 6:1: "Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde." Daniël 5 telt in de Statenvertaling dertig verzen en eindigt met de dood van Belsazar. Door dit verschil lopen ook de versnummers van Daniël 6 met één vers uiteen.
Is Darius de Meder dezelfde als Darius uit Ezra en Haggaï?
Nee. Darius de Meder ontving het rijk bij de val van Babel, in de tijd van Daniël. De Darius uit Ezra 4 tot 6, Haggaï en Zacharia heet in de Bijbel "den koning van Perzie" (Ezra 4:24). Hij regeerde later; in zijn tweede jaar profeteerden Haggaï en Zacharia en in zijn zesde jaar werd de tweede tempel voltooid (Ezra 6:15). Gewoonlijk wordt hij gelijkgesteld aan Darius I. Nehemia 12:22 noemt nog weer een latere Darius de Perziaan.
Wie was Darius de Meder historisch?
Dat is een open vraag. Buiten de Bijbel is een Meedse koning Darius uit deze tijd niet bekend. Sommigen denken aan Ugbaru, die volgens de Nabonidus-kroniek Babel voor Kores innam, of aan Gubaru, die er stadhouders aanstelde. Anderen houden Darius voor een andere naam van Kores zelf. Josephus noemt hem een zoon van Astyages, en Xenophon kent een Meedse koning Cyaxares. Kritische uitleggers zien in hem een literaire figuur, maar de Schrift spreekt over hem als over een werkelijke koning. Dat hij buiten de Bijbel niet genoemd wordt, bewijst niet dat hij niet bestond; ook Belsazar was lang alleen uit Daniël bekend. Geen identificatie is bewezen.
Waarom kon koning Darius zijn eigen gebod niet herroepen?
Het gebod was getekend "naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden" (Daniël 6:9). Een koninklijk bevel dat getekend was, bleef van kracht, ook voor de koning zelf. Het boek Esther kent dezelfde regel voor een met de ring van de koning verzegeld schrift (Esther 8:8). Daarom kon Darius Daniël niet vrijspreken, hoewel hij tot zonsondergang naar een uitweg zocht (Daniël 6:15). Hij kon Daniël alleen nog toewensen dat zijn God hem zou verlossen.
Kwam koning Darius tot geloof in God?
De tekst zegt het niet. Darius noemt Daniël een knecht des levenden Gods (Daniël 6:21) en schrijft na de redding aan alle volken dat men moet beven voor de God van Daniël, "want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden" (Daniël 6:27). Dat is een openlijke erkenning van Israëls God. Of het een persoonlijke bekering was, blijft open: er staat niet dat hij andere goden afzwoer, en hij regeerde verder als heidens vorst.
Hoe oud was Darius de Meder?
Volgens Daniël 6:1 was Darius omtrent tweeënzestig jaar oud toen hij het koninkrijk ontving. Het is een van de weinige concrete gegevens die de Bijbel over hem geeft. Hoelang hij regeerde en wanneer hij stierf, vermeldt de Schrift niet. Wel spreken Daniël 9:1 en Daniël 11:1 over zijn eerste jaar, en Daniël 6:29 zegt dat Daniël voorspoed had onder hem en onder Kores.
Wie was de vader van Darius de Meder?
Daniël 9:1 noemt hem "Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden". Verder zegt de Bijbel niets over deze Ahasveros. Het gaat vrijwel zeker niet om de koning Ahasveros uit het boek Esther, want die regeerde pas later over het Perzische rijk. Het is dezelfde naam als die van de latere Perzische koning uit Esther, maar wie deze vader was, is niet bekend.
Wat gebeurde er in het eerste jaar van Darius?
In het eerste jaar van Darius las Daniël bij Jeremia dat de verwoesting van Jeruzalem zeventig jaar zou duren (Daniël 9:2). Hij zocht God met gebed, vasten, zak en as, en beleed de zonden van zijn volk. Terwijl hij bad, kwam Gabriël hem onderrichten (Daniël 9:21). Ook Daniël 11:1 noemt dit jaar: de hemelse boodschapper stond toen "om hem te versterken en te stijven". Uitleggers verschillen over de vraag of met "hem" Darius of Michaël bedoeld is.
Wat kunnen wij leren van Darius de Meder?
Darius laat zien hoe vleiing tot een overhaast besluit kan leiden, en hoe een mens gevangen kan raken in zijn eigen woorden. Tegelijk leert zijn verhaal dat God niet gebonden is aan de wetten van mensen: wat de machtige koning niet kon, deed God, die Zijn engel zond. Darius erkende daarna de levende God voor alle volken. Zo moedigt zijn verhaal ons aan trouw te blijven, zoals Daniël, en God te vertrouwen waar mensen niets meer kunnen.

Stel een vraag over Darius de Meder

Wilt u meer weten over Darius de Meder? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Darius de Meder

Bijbelverhalen rond Darius de Meder

Verdiep u verder