Bijna ieder mens vraagt zich ooit af waar hij eigenlijk voor leeft. Soms bij een verjaardag, soms aan een sterfbed, soms op een gewone dinsdag als het werk leeg aanvoelt. Filosofen en zelfhulpboeken geven elk hun eigen antwoord. De Bijbel begint ergens anders: bij God, Die de mens gemaakt heeft en dus weet waartoe. Hier leest u wat de Schrift zegt over het doel van de mens, wat Prediker leert over een leven zonder God, hoe dat doel in het gewone leven vorm krijgt en hoe de kerk dit belijdt.
Wat zegt de Bijbel over de zin van het leven?
De Bijbel zoekt de zin van het leven buiten de mens zelf. Alles komt van God en gaat naar Hem terug. Paulus sluit zijn lange betoog over Gods wegen met Israël en de volken af met een lofzang: 'Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid' (Romeinen 11:36). Het kleine woord tot geeft de richting aan. De mens bestaat met alles wat hij is en heeft voor God.
Jezus vat samen wat dat inhoudt, als Hem naar het grote gebod gevraagd wordt: 'Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand' (Mattheüs 22:37). Daarop volgt het tweede gebod, dat aan het eerste gelijk is: de naaste liefhebben als uzelf (Mattheüs 22:39). Zin is in de Bijbel dus geen gevoel dat een mens zelf moet opwekken. Het is een verhouding: geschapen door God, om Hem lief te hebben en van daaruit de ander. Wie deze God is, Die zo liefgehad wil worden, leest u bij de vraag Wie is God volgens de Bijbel?
Waarom schiep God de mens?
God had de mens niet nodig. Hij is in Zichzelf volkomen. In Athene zegt Paulus dat God niet van mensenhanden gediend wordt alsof Hij iets tekortkwam; Hij geeft Zelf aan allen het leven, de adem en alle dingen (Handelingen 17:25). De schepping komt voort uit Gods vrije goedheid.
Toch zegt God Zelf waarom Hij de mens maakte. Over Zijn volk spreekt de HEERE van ieder 'dien Ik geschapen heb tot Mijn eer' (Jesaja 43:7). In het boek Openbaring klinkt hetzelfde in de hemel: de Heere is waardig de heerlijkheid en de eer te ontvangen, omdat Hij alle dingen geschapen heeft (Openbaring 4:11).
Gods eer klinkt voor sommigen als een God Die bewondering zoekt. De Bijbel laat iets anders zien. De mens is geschapen naar Gods beeld (Genesis 1:27), om Hem te kennen en met Hem te leven. Gods eer en het geluk van de mens staan daarom niet tegenover elkaar. David bidt: 'verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht' (Psalm 16:11). Waar God geëerd wordt, komt de mens tot zijn bestemming.
Wat zegt Prediker over de zin van het leven?
Geen bijbelboek zoekt zo eerlijk naar zin als Prediker. Het opent met een zin die blijft hangen: 'Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid' (Prediker 1:2). Het Hebreeuwse woord hebel betekent damp of adem: iets wat er is en meteen weer verdwijnt.
De prediker heeft veel geprobeerd: wijsheid, vreugde, grote werken en rijkdom. Zijn conclusie is dat het allemaal ijdelheid was en kwelling des geestes, zonder voordeel onder de zon (Prediker 2:11). Onder de zon betekent: binnen de grenzen van dit leven bekeken. Toch is Prediker geen boek van wanhoop. Wie het leven uit Gods hand ontvangt, mag eten, drinken en genieten van zijn arbeid als een gave van God (Prediker 2:24). God heeft 'de eeuw in hun hart gelegd' (Prediker 3:11). De mens is gemaakt voor meer dan het tijdelijke, en daarom stilt het tijdelijke zijn honger niet.
Aan het eind trekt de prediker de som: 'Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen' (Prediker 12:13). Vrezen is hier eerbiedig ontzag en kinderlijk vertrouwen. Het boek wijst zo van de leegte naar de Schepper, aan Wie een mens al in zijn jonge jaren mag denken (Prediker 12:1). Meer hierover vindt u in de uitleg van Prediker 12 en in de bijbelstudie over het boek Prediker.
Wat betekent leven tot Gods eer in het gewone leven?
Paulus maakt het opvallend concreet: 'Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods' (1 Korinthe 10:31). Eten en drinken zijn de meest alledaagse dingen die er zijn. Daarmee zegt Paulus dat er geen terrein is waar God buiten staat. Wie de was doet, een vak leert, voor zieke ouders zorgt of kinderen opvoedt, mag dat doen van harte als voor de Heere (Kolossenzen 3:23).
In de reformatorische traditie heet dit roeping. Ieder dient God op de plaats waar Hij hem of haar gezet heeft, zoals de Heere een ieder geroepen heeft (1 Korinthe 7:17). Zie ook de bijbelteksten over roeping. Over werk als roeping leest u meer in wat de Bijbel zegt over werk en roeping.
Dat geeft rust. Zin hangt dan niet af van een indrukwekkende loopbaan of van wat anderen ervan zien. Een leven dat klein lijkt, kan voor God rijk zijn. Ook wie ziek is of weinig meer kan, staat op een plaats die God gegeven heeft. Wat telt, is trouw op die plaats.
Hoe vindt een mens de zin van het leven terug?
Als de mens geschapen is om God te kennen en lief te hebben, waarom ervaren dan zoveel mensen leegte? De Bijbel noemt de oorzaak eerlijk: de mens heeft zich van God afgekeerd. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Romeinen 3:23). Wie zijn doel kwijt is, zoekt zin in werk, relaties, succes of genot, en merkt dat het niet vult. Jezus stelt de vraag scherp: wat baat het een mens als hij de hele wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel (Mattheüs 16:26)?
Het evangelie is dat God Zelf de weg terug opent. In Christus herstelt Hij wat verloren ging. Wie in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden en het eeuwige leven, en dat leven begint al hier. Jezus zegt dat het eeuwige leven is God te kennen, en Hem Die Hij gezonden heeft (Johannes 17:3). Paulus kon daarom schrijven dat het leven voor hem Christus is (Filippenzen 1:21). Zin is dan een geschenk: God roept een mens terug naar het doel waarvoor Hij hem gemaakt heeft.
Voelt het leven voor u al langere tijd leeg of zinloos, praat er dan over met uw predikant of ouderling, en schroom niet om ook uw huisarts te bezoeken.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De kerk zegt na wat de Schrift leert. Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus antwoordt op de vraag of God de mens zo boos en verkeerd geschapen heeft: 'God heeft den mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 3, vraag 6). Kennen, liefhebben, met Hem leven en Hem loven: daarin ligt volgens de catechismus het doel van de mens (Genesis 1:27).
HC Zondag 1 begint bij de troost: met lichaam en ziel, in leven en sterven, behoort de gelovige toe aan zijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus (vraag 1). Het antwoord eindigt ermee dat Christus de gelovige door Zijn Geest van harte willig en bereid maakt om voortaan voor Hem te leven. Zin en troost horen zo bij elkaar. Paulus schrijft dat Christus gestorven is, opdat wie leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem (2 Korinthe 5:15).
Buiten de Drie Formulieren van Enigheid zegt de Kleine Catechismus van Westminster (zeventiende eeuw) het in zijn eerste vraag en antwoord kort: het voornaamste doel van de mens is God te verheerlijken en eeuwig van Hem te genieten. Die ene zin vat samen wat Romeinen 11:36 en Psalm 73 al zeiden.
'Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde' (Psalm 73:25)