Gods Volk Niet Verworpen (Romeinen 11:1-10)
Romeinen hoofdstuk 11 begint met een cruciale vraag: "Heeft God zijn volk verworpen?" Paulus' antwoord is duidelijk en krachtig: "Dat zij verre!" God heeft zijn volk Israël niet definitief afgeschreven. Paulus gebruikt zichzelf als bewijs - hij is immers zelf een Israëliet uit de stam Benjamin.
Paulus verwijst naar het verhaal van Elia, die dacht dat hij de enige overgebleven gelovige was. Maar God openbaarde dat er nog 7000 waren die niet voor Baäl hadden geknield. Zo is er ook nu een "overblijfsel volgens de verkiezing van genade" (vers 5). Dit overblijfsel wordt niet gered door werken, maar door genade alleen.
De Val van Israël en Redding voor de Heidenen (Romeinen 11:11-16)
Het tweede grote thema behandelt de paradoxale situatie waarbij Israëls "val" tot redding voor de heidenen heeft geleid. Door Israëls tijdelijke verwerping van het evangelie konden de apostelen zich tot de heidenen wenden. Maar dit is geen definitieve toestand.
Paulus spreekt over zijn eigen zending onder de heidenen met een specifiek doel: "opdat ik op enigerlei wijze mijn vlees tot naijver zou verwekken" (vers 14). De zegen die de heidenen ontvangen, moet Israël tot naijver prikkelen en hen terugbrengen tot God.
De apostel gebruikt een krachtig argument: als Israëls val al zoveel rijkdom voor de wereld betekent, wat zal dan hun "volheid" betekenen? Dit wijst naar een toekomstige herstel van Israël die nog grotere zegen zal brengen.