Wie de Bijbel leest, komt deze uitdrukking telkens tegen: de vreze des HEEREN. Zij staat in Spreuken en de Psalmen, bij Job en Prediker, en ook in het Nieuwe Testament. Toch klinkt het woord vreze voor veel lezers ongemakkelijk, alsof een mens bang moet zijn voor God. Hoe past dat bij een God Die liefde is? Hier leest u wat de Schrift met deze vreze bedoelt, waarom zij het begin van wijsheid heet en hoe de kerk haar belijdt.
Wat is de vreze des HEEREN?
De vreze des HEEREN is in de Bijbel diep ontzag voor God: het besef dat Hij heilig, almachtig en rechtvaardig is, en dat een mens leeft voor Zijn aangezicht. Die vreze is meer dan een gevoel. Zij bepaalt hoe iemand denkt, spreekt en handelt. Spreuken zegt dat de vreze des HEEREN is: het kwade haten, met de hoogmoed en de kwade weg erbij (Spreuken 8:13). Wie God vreest, neemt Zijn wil ernstig.
Prediker eindigt zijn boek, na alle vragen over de zin van het leven, met één eenvoudige opdracht: 'Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen' (Prediker 12:13). Vreze en gehoorzaamheid horen bij elkaar.
Toch is deze vreze meer dan plichtsbesef. Door de profeet Maleachi vraagt de HEERE aan de priesters van Zijn volk: 'ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze?' (Maleachi 1:6). Vader en Heere, eer en vreze: in de vreze des HEEREN komen eerbied en liefde samen. Daarom noemt Spreuken haar ook een springader des levens (Spreuken 14:27). Wat de Naam HEERE betekent, leest u bij de vraag waarom HEERE in hoofdletters staat.
Waarom noemt de Bijbel haar het begin van wijsheid?
Het boek Spreuken opent met een motto voor alles wat volgt: 'De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap' (Spreuken 1:7). Wetenschap betekent hier kennis en inzicht in het leven. De Statenvertaling schrijft in dit vers vrees, elders vreze; de betekenis is dezelfde. Een paar hoofdstukken verder klinkt het opnieuw: 'De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand' (Spreuken 9:10). Bijna dezelfde woorden staan in Psalm 111:10 en Job 28:28.
Beginsel betekent hier meer dan een eerste stap die u daarna achter zich laat. Het is het fundament waarop alles rust. Wijsheid is in de Bijbel ook meer dan slimheid of belezenheid: het is de kunst om recht te leven voor Gods aangezicht. Wie God niet ontziet, kan veel weten en toch dwaas zijn, want de dwazen verachten wijsheid en tucht (Spreuken 1:7). In de uitleg van Spreuken 1 leest u hoe dit motto het hele boek opent. Wilt u Spreuken met anderen doorlezen, dan helpt de bijbelstudie over Spreuken. Meer teksten over dit thema vindt u bij wat de Bijbel zegt over wijsheid.
Moet een christen bang zijn voor God?
Hier zit voor veel mensen de moeite. Johannes schrijft: 'Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten' (1 Johannes 4:18). Hoe kan de Bijbel dan tegelijk de vreze des HEEREN aanprijzen?
Het antwoord is dat de Schrift twee soorten vrees kent. De eerste is de angst van Adam na de zondeval. Toen God Adam riep, zei Adam dat hij bang was geworden en zich verborgen had (Genesis 3:10). Dat is de angst van een mens die weet dat hij gezondigd heeft en weg wil van God. Johannes zegt van die vrees dat zij pijn heeft (1 Johannes 4:18). Paulus spreekt van de geest der dienstbaarheid: 'Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen' (Romeinen 8:15). In de reformatorische traditie heet die angst wel slaafse vreze: de vrees van een knecht voor de straf.
De tweede is de kinderlijke vreze: het ontzag van een kind dat zijn vader liefheeft en hem niet wil bedroeven. Bij de Sinaï zegt Mozes tegen het volk: 'Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn' (Exodus 20:20). In één vers staat het allebei: vreest niet, en toch Zijn vreze. De angst mag wijken, het ontzag blijft.
Die kinderlijke vreze groeit uit genade. De dichter van Psalm 130 belijdt: 'Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt' (Psalm 130:4). Wie weet dat God de zonde om Christus' wil vergeeft, durft met eerbied tot Hem te naderen. Zo ontfermt de HEERE Zich over hen die Hem vrezen, zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen (Psalm 103:13).
Wat is godsvrucht?
Een ander woord voor de vreze des HEEREN is godsvrucht. Dat woord heeft niets met vruchten te maken: het oude Nederlandse woord vrucht betekende vrees. Godsvrucht is dus de vreze Gods, uitgewerkt in een heel leven. De Statenvertaling spreekt van godvruchtigheid. De brief aan de Hebreeën roept op God te dienen met eerbied en godvruchtigheid, en geeft als reden dat onze God een verterend vuur is (Hebreeën 12:28-29). Ook in het Nieuwe Testament blijft God de Heilige.
Godsvrucht is geen eigen prestatie. In het eeuwige verbond belooft God dat Hij Zijn vreze in het hart van Zijn volk zal geven, zodat zij niet meer van Hem afwijken (Jeremia 32:40). Zij is een gave van Zijn Geest. Volmaakt zien we haar in Christus Zelf. Jesaja profeteert over de Messias dat op Hem de Geest des HEEREN zal rusten, ook de Geest der kennis en der vreze des HEEREN (Jesaja 11:2). Wat Christus volkomen deed, werkt Hij door Zijn Geest in de Zijnen. Van de eerste gemeenten lezen we dat zij wandelden in de vreze des Heeren en in de vertroosting van de Heilige Geest (Handelingen 9:31). Vreze en troost gingen samen.
Hoe ziet de vreze des HEEREN eruit in het dagelijks leven?
De vreze des HEEREN is geen zwaarmoedige stemming. Zij laat zich zien in gewone dingen. Wie God vreest, is niet wijs in eigen ogen en wijkt van het kwade (Spreuken 3:7). Zo iemand gebruikt Gods Naam met eerbied en wandelt eerlijk, ook waar niemand meekijkt, omdat God zonder aanneming des persoons oordeelt (1 Petrus 1:17). En hij hoeft geen mensen meer te vrezen, want de Heere Jezus zegt dat wij veeleer Hem moeten vrezen, Die ziel en lichaam kan verderven (Mattheüs 10:28). Wie God vreest, is vrij van de angst voor mensen.
Ouders mogen hun kinderen die vreze voorleven en leren. David roept de kinderen al op om te luisteren, omdat hij hun de vreze des HEEREN wil leren (Psalm 34:12). Paulus houdt daarbij beide kanten vast. De apostel roept op de zaligheid met vreze en beven uit te werken, en zegt erbij dat het God is Die in de gelovigen werkt beide het willen en het werken (Filippenzen 2:12-13).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus noemt de vreze Gods bij het eerste gebod. In Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 94) staat dat God in het eerste gebod van ons vraagt dat wij de enige ware God recht leren kennen, Hem alleen vertrouwen en Hem van ganser harte liefhebben, vrezen en eren. Liefde en vreze staan daar naast elkaar, gericht op de ene ware God.
Bij het derde gebod (Zondag 36, vraag 99) vraagt de catechismus dat wij Gods heilige Naam alleen met vreze en eerbiedigheid gebruiken. En bij het Onze Vader legt hij uit waarom Christus ons leert God als Vader aan te spreken: om in ons te verwekken 'de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 46, vraag 120). Toevoorzicht is vertrouwen. Zo horen kinderlijke vreze en vertrouwen bij elkaar.
Artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat een mens zonder het ware geloof nooit iets doet uit liefde tot God, alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees om verdoemd te worden. Het geloof dat God werkt, maakt een mens nieuw, zodat hij God dient uit liefde. Daar ligt het verschil tussen slaafse en kinderlijke vreze. Ook een gelovige kent nog angst en strijd; wie daarmee worstelt, mag die vrees bij de Heere brengen en er met een predikant of ouderling over spreken.
'De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen' (Psalm 147:11)