Films, nieuwsberichten en voorspellers houden de vraag levend: wanneer is het einde van de wereld? Ook christenen stellen haar, soms uit nieuwsgierigheid, soms uit zorg om oorlog, rampen of de toestand van de kerk. De Bijbel spreekt open over het einde van deze wereld, en zwijgt opvallend over het tijdstip. Op deze pagina leest u wat wel vaststaat, wat de tekenen der tijden betekenen en waarom berekeningen telkens mislukken.
Wanneer vergaat de wereld volgens de Bijbel?
Het eerlijke antwoord van de Bijbel is: dat weet geen mens. In Zijn rede over het einde, op de Olijfberg, zegt de Heere Jezus: 'Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen' (Mattheüs 24:36). In Markus 13:32 rekent Hij ook de Zoon tot hen die het niet weten; Calvijn betrekt dat op Zijn menselijke natuur.
Na Zijn opstanding vroegen de discipelen opnieuw naar de tijd. Het antwoord was even helder: 'Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft' (Handelingen 1:7). Direct daarna kregen zij een opdracht: Zijn getuigen zijn tot aan het uiterste der aarde (Handelingen 1:8). De vraag naar het wanneer krijgt geen datum, wel een taak. De uitleg van Mattheüs 24 laat zien hoe de hele rede op die lijn uitkomt.
Wanneer komt Jezus terug?
Het einde van de wereld en de terugkomst van Christus horen in de Bijbel bij elkaar: de wereld gaat haar einde tegemoet omdat Christus komt om te oordelen de levenden en de doden. Bij Zijn hemelvaart zeiden de engelen tot de discipelen dat deze Jezus zo zal komen als zij Hem naar de hemel hadden zien heenvaren (Handelingen 1:11).
Over de manier van Zijn komst is de Bijbel duidelijker dan over het moment. Zij komt onverwacht, want Paulus schrijft 'dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht' (1 Thessalonicenzen 5:2). En zij zal voor iedereen zichtbaar zijn, zoals de bliksem van het oosten tot het westen schijnt (Mattheüs 24:27). Over berichten dat Hij al in het verborgene gekomen zou zijn, in de woestijn of in de binnenkameren, zegt Jezus kortweg dat u dat niet moet geloven (Mattheüs 24:26). Meer teksten vindt u bij wat de Bijbel zegt over de wederkomst. Over de ontmoeting met de Heere op die dag gaat de vraag wat de opname van de gemeente is.
Wat zijn de tekenen der tijden?
In Mattheüs 24 noemt de Heere Jezus wat aan Zijn komst voorafgaat: oorlogen en geruchten van oorlogen, hongersnoden en aardbevingen, valse profeten, vervolging van de gelovigen en liefde die verkoudt (Mattheüs 24:6-12). Tegelijk zegt Hij: 'ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden' (Mattheüs 24:6). Eén teken noemt Hij uitdrukkelijk vóór het einde: het Evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen (Mattheüs 24:14).
Dat deze tekenen er in elke eeuw zijn geweest, is geen tegenvaller. Het Nieuwe Testament noemt de hele tijd sinds de eerste komst van Christus al de laatste dagen (Hebreeën 1:1; Handelingen 2:17), en Johannes schreef in zijn eigen tijd dat het de laatste ure is (1 Johannes 2:18). De tekenen zijn daarom geen kalender waarop een datum af te lezen is. Het zijn wekroepen: elke oorlog en elke ramp zegt dat deze wereld niet blijft zoals zij is. Wie deze dingen ziet gebeuren, mag volgens Jezus het hoofd opheffen, omdat de verlossing nabij is (Lukas 21:28).
Waarom komen voorspellingen over het einde nooit uit?
De kerkgeschiedenis kent een lange rij berekeningen van het einde, en geen enkele kwam uit. De Amerikaanse prediker William Miller (1782-1849) rekende met de getallen uit het boek Daniël uit dat Christus rond 1843 zou terugkomen. Toen ook de bijgestelde datum, 22 oktober 1844, voorbijging, noemden zijn volgelingen die dag de Grote Teleurstelling. Rond 2012, toen een Mayakalender zou aflopen, ging opnieuw een einddatum de wereld rond. Telkens bleven teleurgestelde mensen achter.
De Bijbel had hen kunnen behoeden. Jezus waarschuwt dat valse christussen en valse profeten zullen opstaan, die zelfs de uitverkorenen zouden verleiden als dat mogelijk was (Mattheüs 24:24). En Mozes gaf Israël een eenvoudige toets: wat een profeet in de Naam des HEEREN zegt en niet uitkomt, heeft de HEERE niet gesproken (Deuteronomium 18:22).
Wie een datum noemt, beweert meer te weten dan de Zoon op aarde bekendmaakte. Het juiste antwoord op een nieuwe voorspelling is daarom rustig: dat weten wij niet, en dat hoeven wij ook niet te weten.
Vergaat de wereld echt, of wordt zij nieuw?
Het woord vergaan staat in de Bijbel. Petrus beschrijft de dag des Heeren met sterke woorden: 'in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden' (2 Petrus 3:10). Het is Gods eigen gericht door vuur, zoals de zondvloed in de dagen van Noach een gericht door water was (2 Petrus 3:6-7).
Toch eindigt Petrus niet bij het vuur. Hij gaat verder: 'Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont' (2 Petrus 3:13). Johannes ziet hetzelfde in een gezicht (Openbaring 21:1), en Paulus schrijft dat de schepping zelf vrijgemaakt zal worden van de dienstbaarheid der verderfenis (Romeinen 8:21).
Uitleggers verschillen over de vraag of God de oude wereld wegdoet en een nieuwe schept, of deze wereld door het vuur heen reinigt; de reformatorische belijdenis spreekt van reiniging. In beide gevallen is het einde van deze wereld het begin van Gods nieuwe schepping. In de uitleg van 2 Petrus 3 leest u het hele hoofdstuk in zijn verband.
Hoe leeft een christen in afwachting van het einde?
Waarom houdt God de dag verborgen? Petrus geeft een eerste antwoord: de Heere vertraagt de belofte niet, maar 'is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen' (2 Petrus 3:9). Een tweede antwoord geeft Jezus Zelf. Omdat niemand het uur kent, moet ieder altijd gereed zijn: 'Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal' (Mattheüs 24:42).
Waken is iets anders dan rekenen. De gelijkenissen die erop volgen, van de trouwe dienstknecht, de tien maagden en de talenten (Mattheüs 24:45 tot 25:30), laten zien wat waken is: trouw doen wat de Heere opgedragen heeft. Petrus trekt dezelfde lijn: omdat alles vergaat, behoren wij te leven in heilige wandel en godzaligheid (2 Petrus 3:11).
Voor wie Christus kent, is het einde van de wereld daarom geen dreiging. De Rechter Die komt, is Dezelfde Die Zich voor Zijn volk aan het kruis gaf. Wie bang wordt van berichten over het einde, of een kind heeft dat er wakker van ligt, mag zich vasthouden aan Zijn eigen woord dat wij niet verschrikt hoeven te worden (Mattheüs 24:6). De dag ligt in de hand van de Vader. Wie Hem nog niet kent, hoort in dezelfde teksten een uitnodiging: vandaag is het nog de tijd van Gods lankmoedigheid. Wachten op een teken voordat u zich bekeert, raadt de Bijbel nergens aan, want de dag komt als een dief.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Met de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat Christus van de rechterhand van God zal komen om te oordelen de levenden en de doden. Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 52) vraagt wat de wederkomst van Christus de gelovige te troosten geeft. Het antwoord noemt geen datum, wel een houding: 'Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfden, Die Zich te voren om mijnent wil voor Gods gericht gesteld, en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 19, vraag 52).
Artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt het in dezelfde lijn. De tijd die de Heere voor het oordeel bepaald heeft, is voor alle schepselen onbekend. Wanneer die tijd gekomen is en het getal van de uitverkorenen vol is, komt Christus lichamelijk en zichtbaar uit de hemel, zoals Hij is opgevaren (Handelingen 1:11), met grote heerlijkheid, om Zich als Rechter over levenden en doden te openbaren. Dan zet Hij deze oude wereld in vuur en vlam om haar te reinigen. Voor de goddelozen noemt het artikel die dag verschrikkelijk, voor de gelovigen zeer gewenst en troostelijk.
'Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus' (Openbaring 22:20)