Inleiding tot Handelingen 1
Handelingen 1 vormt een cruciale brug tussen de evangeliën en de geboorte van de vroege kerk. Lucas, de auteur van zowel het Lucasevangelie als Handelingen, richt zich opnieuw tot Theofilus en zet zijn verhaal voort waar hij geëindigd was. Dit hoofdstuk behandelt de laatste dagen van Jezus op aarde en de voorbereiding van de apostelen op hun wereldwijde zending.
De Belofte van de Heilige Geest (verzen 1-5)
Lucas begint met te verwijzen naar zijn 'eerste boek' - het Lucasevangelie - waarin hij alles beschreef wat Jezus deed en leerde tot aan zijn hemelvaart. De cruciale woorden in vers 4-5 bevatten Jezus' laatste instructies: de apostelen moeten in Jeruzalem blijven wachten op 'de belofte van de Vader', namelijk de doop met de Heilige Geest.
Deze belofte contrasteert met de doop van Johannes, die met water doopte. Jezus belooft iets veel krachtiger: een doop met de Heilige Geest die binnen enkele dagen zou plaatsvinden. Dit verwijst naar het Pinkstergebeuren in hoofdstuk 2.
De Vraag naar het Koninkrijk (verzen 6-8)
De apostelen stellen een begrijpelijke vraag: 'Heer, is dit de tijd waarin u het koninkrijk voor Israël zult herstellen?' Hun verwachting was nog steeds politiek van aard - zij dachten aan een aards koninkrijk. Jezus corrigeert hun perspectief door te wijzen op Gods timing en hun eigen roeping.