Wie Mattheüs 24 leest of het nieuws over oorlog en vervolging volgt, stuit vroeg of laat op de vraag wat de Bijbel bedoelt met de grote verdrukking. Sommigen verwachten een periode van zeven jaar vlak voor de wederkomst, anderen denken aan de verwoesting van Jeruzalem of aan het lijden van de kerk in alle eeuwen. Op deze pagina leest u welke teksten erover spreken, hoe christenen ze uitleggen en welke troost de Schrift erbij geeft.
Wat zegt Jezus over de grote verdrukking?
De uitdrukking komt uit de rede die de Heere Jezus op de Olijfberg hield, kort voor Zijn lijden. De discipelen vroegen Hem wanneer de tempel verwoest zou worden en wat het teken zou zijn van Zijn toekomst en van de voleinding der wereld (Mattheüs 24:3). In Zijn antwoord spreekt Hij over de gruwel der verwoesting, waarvan de profeet Daniël gesproken had, staande in de heilige plaats (Mattheüs 24:15). Wie dan in Judea is, moet vluchten naar de bergen. Daarna zegt Hij: 'Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal' (Mattheüs 24:21).
Direct daarop volgt een belofte: 'om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden' (Mattheüs 24:22). De verdrukking is zwaar, maar zij heeft een grens die God Zelf stelt. Markus zegt het in de verleden tijd: de Heere heeft de dagen verkort om der uitverkorenen wil (Markus 13:20). In dezelfde rede waarschuwt Jezus voor valse christussen en valse profeten, die zo mogelijk zelfs de uitverkorenen zouden verleiden (Mattheüs 24:24). De uitleg van Mattheüs 24 volgt de hele rede vers voor vers.
Wat betekent de grote verdrukking in Openbaring 7?
In Openbaring 7 ziet Johannes een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, bekleed met lange witte klederen (Openbaring 7:9). Een van de ouderlingen vraagt wie zij zijn en waar zij vandaan komen (Openbaring 7:13). Het antwoord luidt: 'Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams' (Openbaring 7:14).
Opvallend is wat hen rein maakt. Hun lijden heeft hen geen plaats voor de troon bezorgd; hun klederen zijn wit gewassen in het bloed van het Lam. Het einde van hun weg is rust en troost: 'God zal alle tranen van hun ogen afwissen' (Openbaring 7:17). Of deze schare de gelovigen van alle eeuwen zijn of een groep uit de laatste tijd, wordt verschillend uitgelegd. De uitleg van Openbaring 7 gaat daar verder op in.
Wat zegt de Bijbel nog meer over de grote verdrukking?
De woorden van Jezus sluiten aan bij de profeet Daniël. Die spreekt over een tijd van benauwdheid zoals er nooit geweest is sinds er een volk bestond. In hetzelfde vers staat dat Michaël, de grote vorst, voor Gods volk opstaat, en: 'te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek' (Daniël 12:1). Ook hier gaan nood en bewaring samen.
Tegelijk gebruikt het Nieuwe Testament het woord verdrukking voor wat de gemeente in elke tijd overkomt. Paulus en Barnabas vermaanden de discipelen 'dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods' (Handelingen 14:22). Johannes noemt zich op Patmos een medegenoot in de verdrukking (Openbaring 1:9), en de gemeente in Smyrna hoort dat zij een verdrukking van tien dagen zal hebben (Openbaring 2:10). De vraag is dan hoe de grote verdrukking zich verhoudt tot die verdrukking van alle dagen. Daarover verschillen christenen.
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen erkennen dat Jezus een tijd van grote nood heeft voorzegd, dat God de duur ervan begrenst en dat Hij Zijn volk erdoor bewaart (Mattheüs 24:22). Over het wanneer lopen de uitleggingen uiteen.
- Vervuld in het jaar 70 (preteristische lezing): Jezus sprak over de tempel van Zijn dagen en zei: 'Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn' (Mattheüs 24:34). Lukas spreekt van Jeruzalem dat van heirlegers omsingeld wordt (Lukas 21:20). De verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70, beschreven door Flavius Josephus in De Joodse Oorlog, is in deze lezing de grote verdrukking.
- Nog toekomstig (futuristische lezing): de verdrukking komt vlak voor de wederkomst, want Jezus zegt dat direct na de verdrukking van die dagen zon en maan verduisterd worden (Mattheüs 24:29). Velen in deze lijn verbinden haar met de laatste jaarweek uit Daniël 9:27 en rekenen met zeven jaar. Een deel van hen, vooral in de dispensationalistische traditie sinds John Nelson Darby (negentiende eeuw), verwacht dat de gemeente vooraf wordt weggenomen. Lees daarover wat de opname van de gemeente is.
- De hele tijd van de kerk (idealistische lezing): de grote verdrukking is het lijden van de gemeente tussen de hemelvaart en de wederkomst van Christus, dat aan het einde nog kan toenemen. Deze lezing wijst op Johannes als medegenoot in de verdrukking (Openbaring 1:9) en op de schare uit alle volken in Openbaring 7.
Een vierde lezing ziet in Mattheüs 24 een dubbel perspectief: de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 is een vervulling en tegelijk een voorafschaduwing van de nood aan het einde. Wie zo leest, verwacht dat de gemeente door de verdrukking heen gaat en daarin bewaard wordt, zonder eerst te worden weggenomen. De Drie Formulieren van Enigheid geven geen tijdschema. Wie jaartallen berekent, gaat verder dan de Schrift, want van die dag en die ure weet niemand dan de Vader alleen (Mattheüs 24:36). Een verschil in uitleg op dit punt maakt niemand een ongelovige.
Moeten gelovigen door de grote verdrukking heen?
Die vraag leeft bij veel lezers, juist omdat de woorden van Jezus zo zwaar zijn. De Bijbel belooft de gelovigen geen leven zonder lijden. Jezus zei tegen Zijn discipelen dat zij in de wereld verdrukking zouden hebben (Johannes 16:33), en Paulus noemt verdrukking en vervolging uitdrukkelijk onder de dingen die ons niet kunnen scheiden van de liefde van Christus (Romeinen 8:35-37).
Wel belooft de Schrift bewaring in de verdrukking. De dagen worden verkort om der uitverkorenen wil, en de schare in Openbaring 7 komt uit de grote verdrukking en staat voor de troon. Jezus zegt: 'Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden' (Mattheüs 24:13). Die volharding is geen eigen prestatie. Het is de trouw van Christus, Die van de Zijnen zegt dat niemand hen uit Zijn hand zal rukken (Johannes 10:28).
Daarom is de grote verdrukking geen reden tot angst of tot speculatie. In dezelfde rede zegt Jezus tegen Zijn discipelen dat zij niet verschrikt moeten worden (Mattheüs 24:6) en dat zij moeten waken (Mattheüs 24:42). Wie door deze vragen onrustig wordt, mag daarover in gesprek gaan met de predikant of een ouderling. Wie wil lezen hoe de Schrift in het geheel over het einde spreekt, vindt meer bij wat de Bijbel zegt over de eindtijd.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenis geeft geen tijdschema; zij leert de gemeente hoe zij het einde verwacht. In Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 52) belijdt de gelovige dat hij 'in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 19, vraag 52) Christus als Rechter uit de hemel verwacht. Die Rechter is Dezelfde Die Zich eerst voor de gelovige voor Gods gericht gesteld en alle vloek van hem weggenomen heeft. Wie zo naar Christus uitziet, hoeft de verdrukking niet als het laatste woord te vrezen.
Artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de tijd van Christus' komst alle schepselen onbekend is. Het belijdt dat God recht zal doen over wie de gelovigen in deze wereld verdrukt en gekweld hebben (2 Thessalonicenzen 1:6-7), en dat de zaak van de gelovigen, die nu door velen veroordeeld wordt, dan erkend zal worden als de zaak van de Zoon van God. Daarom noemt de belijdenis de gedachte aan het oordeel voor de gelovigen troostrijk, en verwacht de kerk die grote dag met verlangen.
'In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen' (Johannes 16:33)