Wie in de Bijbel leest over Adam en Eva, wil vaak ook weten waar het allemaal gebeurde. Genesis 2 geeft opvallend concrete aanwijzingen: een streek die Eden heet, een richting en de namen van vier rivieren, waarvan er twee nog altijd bekend zijn. Toch heeft niemand de hof ooit teruggevonden. Hieronder leest u wat de tekst zelf zegt, welke plaatsen uitleggers voorstellen, waarom de plek verborgen bleef en waarom het paradijs in de Bijbel vooral een belofte is.
Wat zegt de Bijbel over de hof van Eden?
De Bijbel noemt de hof van Eden direct na de schepping van de mens: 'Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, die Hij geformeerd had' (Genesis 2:8). Eden is dus de naam van een streek, en de hof is een tuin die God daarin plantte. Het woord paradijs, dat later voor deze hof gebruikt wordt, betekent eveneens tuin of park; de oude Griekse vertaling gebruikt het al in Genesis 2:8. De woorden tegen het oosten worden door sommige uitleggers verstaan als oostelijk gezien vanuit het land Kanaän, waar de eerste lezers van Genesis zouden wonen.
De hof was geen wildernis en ook geen eindeloos land. God zette de mens in de hof om die te bouwen en te bewaren (Genesis 2:15). Er stond allerlei geboomte, begeerlijk voor het gezicht en goed tot spijs, met in het midden de boom des levens en de boom der kennis des goeds en des kwaads (Genesis 2:9). In de uitleg van Genesis 2 leest u het hoofdstuk vers voor vers, en het verhaal van de schepping laat zien hoe de hof aansluit bij de zes scheppingsdagen.
Welke vier rivieren noemt Genesis 2?
De sterkste aanwijzing voor de ligging is de rivier: 'En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden' (Genesis 2:10). Daarna noemt Mozes de vier hoofdstromen bij naam (Genesis 2:11-14):
- Pison, die het land Havila omloopt, waar goed goud is, met bedolah en de steen sardonix.
- Gihon, die het hele land Cusch omloopt.
- Hiddekel, 'deze is gaande naar het oosten van Assur' (Genesis 2:14).
- Frath, de vierde rivier.
De Frath is de Eufraat; elders noemt de Bijbel haar de grote rivier, de rivier Frath (Genesis 15:18). De Hiddekel wordt algemeen gelijkgesteld met de Tigris, zoals de oude Griekse vertaling al doet, die langs het oude Assur stroomt; Daniël stond aan de oever van de grote rivier Hiddekel (Daniël 10:4). Die twee rivieren wijzen naar Mesopotamië, het land tussen de rivieren, in het huidige Irak.
De Pison en de Gihon zijn onbekend. Havila en Cusch komen later in Genesis voor als namen van volken (Genesis 10:7), en Cusch ligt in de Bijbel meestal ten zuiden van Egypte. Een Gihon kent de Bijbel ook bij Jeruzalem, waar Salomo tot koning gezalfd werd (1 Koningen 1:33), maar dat is een bron (vgl. 2 Kronieken 32:30) en geen rivier die een land omloopt.
Waar lag het paradijs volgens de uitleggers?
Omdat twee rivieren bekend zijn en twee niet, zijn er door de eeuwen heen verschillende voorstellen gedaan. Dat zijn pogingen om de tekst te verstaan; de Bijbel zelf wijst geen plek op de kaart aan.
- Zuidelijk Mesopotamië. Johannes Calvijn zocht de hof in zijn commentaar op Genesis (1554) in de streek waar de Eufraat en de Tigris samenkomen, in het huidige Zuid-Irak. Veel oudere en nieuwere uitleggers denken in deze richting.
- De Perzische Golf. Anderen denken aan een gebied bij de monding van de rivieren dat nu onder het water van de Perzische Golf ligt.
- Het bergland van Oost-Turkije. Weer anderen zoeken het hoger op, waar de Eufraat en de Tigris ontspringen, omdat de rivier van Genesis 2 zich vanuit Eden in vier stromen verdeelt.
- Een wijder gebied. De joodse geschiedschrijver Flavius Josephus dacht bij de Gihon aan de Nijl en bij de Pison aan de Ganges (Joodse oudheden, boek 1), zodat Eden aan het begin van alle grote rivieren lag.
Geen van deze voorstellen past precies. Genesis beschrijft één rivier die zich splitst, terwijl de Eufraat en de Tigris nu juist samenvloeien voordat zij in zee uitkomen. Daarom is het wijs om met de Schrift te zeggen wat vaststaat, en de rest als een open vraag te laten staan.
Waarom is de hof van Eden niet meer te vinden?
De eerste reden staat in Genesis 3. Na de zondeval verzond de HEERE God de mens uit de hof (Genesis 3:23): 'En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens' (Genesis 3:24). De weg terug werd door God Zelf afgesloten. Het verhaal van de zondeval vertelt hoe het zo ver kwam, en de levensloop van Adam laat zien hoe het leven buiten de hof verderging.
De tweede reden is de zondvloed. Toen braken alle fonteinen van de grote afgrond open en werden de sluizen van de hemel geopend (Genesis 7:11), en de wateren bedekten alle hoge bergen onder de hele hemel (Genesis 7:19). Petrus schrijft dat de wereld van toen door het water vergaan is (2 Petrus 3:6). Veel uitleggers nemen daarom aan dat de aarde na de vloed een ander aanzien kreeg, zodat rivieren na de vloed dezelfde namen konden dragen zonder dezelfde loop te hebben. Hoe ingrijpend die verandering was, zegt de Bijbel niet. Over de vraag of er van de ark nog iets terug te vinden is, leest u meer bij de vraag of de ark van Noach gevonden is.
Wat betekent het paradijs in de Bijbel?
Voor de Bijbel is het paradijs vooral de plaats waar God bij de mens was. Adam en Eva hoorden 'de stem van den HEERE God, wandelende in den hof' (Genesis 3:8). De profeten spreken van Eden als 'Gods hof' (Ezechiël 28:13), en wanneer zij het herstel van Gods volk beloven, gebruiken zij het als beeld: God zal de woestijn van Sion maken als Eden en haar wildernis als de hof van de HEERE (Jesaja 51:3).
Die belofte begint al in de hof zelf. Nog voordat de mens werd uitgedreven, sprak God over het zaad van de vrouw dat de slang de kop zou vermorzelen (Genesis 3:15). Dat is de eerste belofte van Christus. Aan het kruis zei de Heere Jezus tegen de misdadiger dat hij die dag met Hem in het Paradijs zou zijn (Lukas 23:43), en Paulus werd opgetrokken in het paradijs (2 Korinthe 12:4).
Het laatste bijbelboek sluit de cirkel. De verhoogde Christus belooft wie overwint te eten van de boom des levens (Openbaring 2:7). Johannes ziet een rivier van het water des levens, uitgaande van de troon van God en van het Lam (Openbaring 22:1), en 'op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens' (Openbaring 22:2). De weg die in Genesis 3 bewaakt werd, staat open voor wie door Christus verlost is. Het paradijs ligt voor de gelovige dus niet alleen achter hem, maar vooral voor hem.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenisgeschriften spreken over wat er in de hof gebeurde als werkelijke geschiedenis. Artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de mens uit het stof van de aarde schiep (Genesis 2:7), goed, rechtvaardig en heilig, naar Zijn beeld. De mens onderwierp zich echter willens aan de zonde door naar de duivel te luisteren, overtrad het gebod des levens dat hij ontvangen had en scheidde zich zo af van God, Die zijn waarachtig leven was.
Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus zegt dat God de mens 'goed en naar Zijn evenbeeld geschapen' heeft (Heidelbergse Catechismus, Zondag 3, vraag 6), en dat onze verdorven aard komt 'Van den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 3, vraag 7). Zondag 6 voegt eraan toe dat God het heilig Evangelie 'eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag 19). Waar de hof precies lag, zeggen de belijdenissen niet. Wat er gebeurde en wat God daar beloofde, zeggen zij met grote stelligheid.
'Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is' (Openbaring 2:7)