Wie als kind leerde bidden, kreeg vaak twee dingen mee: handen vouwen en ogen dicht. Later komt de vraag op of dat zo hoort. Mag u ook bidden tijdens een wandeling, aan een ziekbed of in de auto? Hier leest u welke houdingen de Bijbel bij het gebed noemt, waar de gewoonte van gesloten ogen en gevouwen handen goed voor is, en wat God in het gebed eigenlijk zoekt.
Moet u met de ogen dicht bidden volgens de Bijbel?
Nergens in de Bijbel staat dat wie bidt, de ogen moet sluiten. Er is geen gebod over de stand van de ogen, de handen of de knieën. Wel beschrijft de Schrift hoe biddende mensen deden. Opvallend is dat de Heere Jezus bij Zijn gebed de ogen juist opsloeg. Bij het begin van Zijn hogepriesterlijk gebed staat: 'Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen' (Johannes 17:1). Bij het graf van Lazarus deed Hij hetzelfde (Johannes 11:41). In de uitleg van Johannes 17 leest u hoe dat gebed verder gaat.
In de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar gaat het evenmin om de houding (Lukas 18:10). De tollenaar wilde zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen. Hij sloeg op zijn borst en bad: 'O God! wees mij zondaar genadig' (Lukas 18:13). De Heere Jezus zegt van hem dat hij gerechtvaardigd naar zijn huis ging (Lukas 18:14). De psalmdichter heft zijn ogen op tot God (Psalm 123:1), de tollenaar slaat ze neer. Wat de doorslag geeft, is dus de ootmoed van het hart, en de stand van de ogen doet daarbij niet ter zake.
Welke gebedshoudingen komen in de Bijbel voor?
De Bijbel laat een grote verscheidenheid zien. Biddende mensen staan, knielen, buigen zich neer of liggen met het aangezicht op de grond. Een paar voorbeelden op een rij:
- Staan: Salomo stond voor het altaar en breidde zijn handen uit naar de hemel (1 Koningen 8:22). De Heere Jezus spreekt heel gewoon over staan om te bidden (Markus 11:25).
- Knielen: Daniël knielde drie keer per dag op zijn knieën en bad, bij open vensters naar Jeruzalem (Daniël 6:11). Paulus knielde met de oudsten van Efeze neer om te bidden (Handelingen 20:36).
- Zich neerbuigen: onder Ezra aanbad het volk de HEERE met het aangezicht ter aarde (Nehemia 8:7). In Gethsemane viel de Heere Jezus op Zijn aangezicht (Mattheüs 26:39).
- Handen opheffen: Paulus schrijft 'dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen' (1 Timotheüs 2:8).
- Ogen opheffen of neerslaan: zoals bij de Heere Jezus en de tollenaar hierboven.
In hetzelfde gebed staat Salomo eerst voor het altaar, en aan het eind staat hij op van het knielen op zijn knieën (1 Koningen 8:54). De psalmen roepen op tot een houding die past bij eerbied voor de Schepper: 'laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft' (Psalm 95:6). Het lichaam mag dus meedoen in het gebed. Toch maakt geen enkele houding een gebed beter of zekerder van verhoring. Meer teksten over het gebed vindt u bij bijbelteksten over gebed.
Waarom vouwen wij de handen bij het bidden?
Het vouwen van de handen staat niet in de Bijbel als gebedshouding. Het woord komt in de Statenvertaling wel voor, maar dan bij de luiaard die zijn handen vouwt om te gaan liggen (Spreuken 6:10). Handen vouwen en ogen sluiten is een gewoonte die in veel christelijke gezinnen en kerken gegroeid is. Het is een goede gewoonte. Wie de handen samenlegt en de ogen sluit, legt even neer waar hij mee bezig was en ziet niet langer wat hem afleidt. Kinderen leren zo aan tafel dat bidden iets anders is dan praten met elkaar: zij spreken met God.
De Heere Jezus wijst op het belang van een stille plaats: 'gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is' (Mattheüs 6:6). Die woorden gaan over bidden zonder door mensen gezien te willen worden (Mattheüs 6:5). Gesloten ogen kunnen dan als een kleine binnenkamer zijn, midden in de drukte. Hoe u zelf of met uw kinderen een begin maakt, leest u bij leren bidden.
Een gewoonte mag geen voorwaarde worden. God hoort het gebed om Christus' wil, en niet om de stand van onze handen.
Mag u met open ogen bidden?
Ja, wie met open ogen bidt, doet niets verkeerds. Izak ging tegen de avond het veld in om te bidden (Genesis 24:63); bidden kon dus gewoon buiten, onder de open hemel. De knecht van Abraham bad bij de waterput in zijn hart, en terwijl hij nog sprak, kwam Rebekka al aan (Genesis 24:45). Er zijn ook situaties waarin open ogen nodig of beter zijn: aan een ziekbed, bij het bidden van een psalm uit de Bijbel, tijdens een wandeling, of als iemand met gesloten ogen snel duizelig of onrustig wordt.
De Schrift wijst steeds naar het hart. Toen Samuël naar het uiterlijk van Isaï's zonen keek, zei de HEERE: 'de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan' (1 Samuël 16:7). Dat geldt ook voor het gebed. Hanna bad zo stil dat alleen haar lippen bewogen en haar stem niet gehoord werd (1 Samuël 1:13), en God verhoorde haar (1 Samuël 1:20). Omgekeerd kan een gebed met gesloten ogen ver van God zijn, als de mond spreekt en het hart afwezig is (Jesaja 29:13).
Mag u in de auto bidden?
Ook dat mag. Nehemia stond als schenker voor de koning van Perzië, toen die hem vroeg wat hij wilde. Er was geen tijd om zich terug te trekken. Nehemia schrijft: 'Toen bad ik tot God van den hemel' (Nehemia 2:4), en direct daarna gaf hij de koning antwoord. Zo'n kort gebed tussendoor heet wel een schietgebed. Paulus roept de gemeente op: 'Bidt zonder ophouden' (1 Thessalonicenzen 5:17). Dat betekent niet dat een christen de hele dag met gesloten ogen leeft, wel dat hij in alles met God leeft en Hem op elk moment mag aanroepen.
Wie rijdt, houdt de ogen op de weg en de handen aan het stuur. Dat is geen gebrek aan eerbied. Het zesde gebod vraagt ook zorg voor het eigen leven en dat van anderen (Exodus 20:13); de Heidelbergse Catechismus noemt daarbij dat wij onszelf niet moedwillig in gevaar brengen (Zondag 40, vraag 105). Bid dus met open ogen, kort en eenvoudig, en bewaar de langere stille tijd voor thuis. Wie vaak onderweg is, vindt bij een gebed voor onderweg woorden om mee te beginnen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenisgeschriften schrijven geen gebedshouding voor. Wel zeggen zij wat bij een gebed hoort dat God aangenaam is. In Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 117) staan drie dingen: dat wij de enige ware God van harte aanroepen, dat wij onze nood en ellende goed kennen, 'opdat wij ons voor het aangezicht Zijner Majesteit verootmoedigen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 45, vraag 117), en dat wij vast vertrouwen dat God ons om Christus' wil verhoort, al zijn wij dat niet waard (Johannes 16:23).
Dat verootmoedigen is een zaak van het hart. Een gebogen hoofd, gevouwen handen of gebogen knieën kunnen die ootmoed uitdrukken en ondersteunen, al kunnen zij haar nooit vervangen. De vraag ervoor (vraag 116) noemt het gebed het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Bidden is dus een antwoord op Gods genade en geen prestatie om die genade te verdienen. Wie worstelt met gebeden die onbeantwoord lijken te blijven, leest verder bij de vraag waarom God een gebed niet lijkt te verhoren.
'Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit' (Psalm 123:1)