Bij jongens en mannen in reformatorische gezinnen en scholen is de lengte van het haar vaak een gesprekspunt. Ouders vragen zich af wat zij hun zoon moeten zeggen, en jonge mannen willen weten of het om smaak gaat of om gehoorzaamheid aan God. Hieronder leest u wat Paulus in 1 Korinthe 11 schrijft, hoe het zit met Simson en waarom christenen hier verschillend uitkomen.
Wat zegt de Bijbel over lang haar bij een man?
Er is één tekst in de Bijbel die rechtstreeks over lang haar bij mannen spreekt. In zijn brief aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus over man en vrouw in de samenkomst en zegt dan: 'Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is' (1 Korinthe 11:14). Direct daarna zet hij de vrouw ertegenover: 'Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is' (1 Korinthe 11:15).
Paulus stelt zijn zin als een vraag waarop het antwoord voor de hand ligt, zoals hij even daarvoor de gemeente zelf laat oordelen (vers 13). Het lange haar ondersteunt zijn eigenlijke punt: God heeft de man tot hoofd van de vrouw gesteld en de vrouw uit de man geschapen (vers 3 en 8), en dat onderscheid moet in de samenkomst zichtbaar blijven (vers 7). Het hele hoofdstuk leest u in de uitleg van 1 Korinthe 11. Wat dezelfde verzen voor de vrouw betekenen, staat bij de vraag of een vrouw een hoofddeksel moet dragen in de kerk.
Wat bedoelt Paulus met de natuur?
Of 1 Korinthe 11:14 vandaag nog geldt, hangt grotendeels af van wat Paulus met de natuur bedoelt. Er zijn twee hoofdlijnen.
De eerste lijn leest natuur als de schepping zoals God haar geordend heeft. De kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637) zeggen dat God de vrouw van de man onderscheiden heeft doordat bij haar het haar langer en dichter groeit, als sieraad en deksel. Het lange haar is volgens de kanttekening ook een deksel en teken van onderdanigheid, dat de man als hoofd der vrouw niet behoort te dragen. Bovendien neemt een man met lang haar zo een sieraad over dat bij de vrouw hoort; de kanttekening verbindt dit met het gebod dat een man geen vrouwenkleed mag aantrekken (Deuteronomium 22:5). In die lezing is de regel zo oud als de schepping en geldt hij overal.
De tweede lijn leest natuur als het aangeboren besef van wat gepast is. Paulus gebruikt het woord ook elders zo, als hij zegt dat heidenen van nature de dingen doen die der wet zijn (Romeinen 2:14). Volgens deze lijn blijft het beginsel dat een man zich als man kleedt en kapt; welke haarlengte daarbij hoort, hangt mede af van wat in een volk als gepast geldt.
Simson en de nazireeërs: mochten mannen in de Bijbel lang haar dragen?
In het Oude Testament lieten sommige mannen hun haar groeien, en dat met Gods goedkeuring. Wie de gelofte van een nazireeër deed, zonderde zich voor een tijd voor de HEERE af. Hij dronk geen wijn, kwam niet bij een dode en liet zijn haar staan: 'latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen' (Numeri 6:5). Aan het eind van die tijd schoor hij zijn hoofd en legde hij het haar op het vuur onder het dankoffer (Numeri 6:18).
Bij Simson was het nazireeërschap levenslang. De Engel des HEEREN beloofde zijn moeder een zoon 'op wiens hoofd geen scheermes zal komen' (Richteren 13:5). Zijn kracht zat niet in zijn haar zelf, maar in de HEERE, aan Wie hij met die gelofte verbonden was. Toen Delila zijn zeven haarlokken liet afscheren, was de HEERE van hem geweken (Richteren 16:19-20). Meer over zijn leven leest u bij Simson.
Juist deze uitzondering zegt iets. Het lange haar van de nazireeër was een teken van afzondering dat opviel; van de priesters in het visioen van Ezechiël staat zelfs dat zij de lokken niet lang mochten laten groeien (Ezechiël 44:20). Simsons haar hoorde dus bij zijn gelofte, en die gelofte bij een bijzondere roeping onder het Oude Verbond.
Ook Absalom wordt vaak genoemd. Zijn haar woog bij het jaarlijkse scheren tweehonderd sikkelen (2 Samuël 14:26). Hij was de schoonste man van Israël en stal het hart van het volk van zijn vader af (2 Samuël 14:25 en 15:6). De Schrift verbindt die opstand nergens met zijn haar. Of Jezus Zelf lang haar had, zoals op veel schilderijen, leest u bij de vraag hoe Jezus eruitzag.
Hoe lang is lang haar voor een man?
De Bijbel noemt geen lengte. De kanttekening bij Ezechiël 44:20 spreekt van het haar matig korten, als teken van eerbaarheid en matigheid. En het verschil tussen man en vrouw dat Paulus zichtbaar wil houden, betekent in de praktijk dat een man zijn haar zo draagt dat niemand twijfelt of hij een man is.
Mag het dan over de oren, in een staart of in een knot? Een regel per kapsel geeft de Bijbel niet. Paulus vraagt wel dat een gelovige alles doet 'ter ere Gods' (1 Korinthe 10:31). Wie zijn kapsel kiest om op te vallen, bij een trend te horen of uit ijdelheid, kort of lang, kan zich afvragen of dat bij die eer past. De HEERE kijkt dieper: 'want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan' (1 Samuël 16:7). Dat zei Hij tegen Samuël over de rijzige Eliab.
Waar christenen verschillen
Alle christenen die de Schrift als Gods Woord lezen, zijn het erover eens dat God de mens als man en vrouw schiep (Genesis 1:27) en dat dit verschil niet uitgewist mag worden. Over de vraag wat 1 Korinthe 11:14 vandaag van een man vraagt, lopen de wegen uiteen:
- Een blijvende regel uit de schepping: natuur is de orde die God in de schepping legde, dus lang haar bij een man blijft een oneer, in elke tijd en cultuur. Dit is de lijn van de kanttekening bij vers 14 en van veel reformatorische gemeenten en scholen, waar jongens en mannen kort haar dragen.
- Een blijvend beginsel met een plaatselijke vorm: het onderscheid tussen man en vrouw blijft geboden, en wat als lang haar geldt, hangt mede af van wat in een volk als vrouwelijk geldt. Men wijst op vers 13 en 16, waar Paulus een beroep doet op het oordeel en de gewoonte van de gemeenten. Ook de kanttekening bij vers 4 zegt bij het dekken van het hoofd dat men moet letten op het gebruik van verschillende tijden en landen.
- Een gewoonte uit de tijd van Korinthe: in een deel van de protestantse en evangelische kerken leest men vers 14 als een opmerking over de cultuur van toen, zonder blijvende regel voor de haarlengte. Men wijst op de nazireeërs, bij wie God lang haar juist voorschreef.
Wie de eerste lijn volgt, antwoordt op dat laatste dat een gelofte van afzondering de gewone regel veronderstelt en die niet opheft. Dezelfde afweging speelt bij de vraag of een vrouw een broek mag dragen. Een man met halflang haar is daarmee geen ongelovige, en wie kort haar draagt, is daardoor niet heiliger. 'Laat ons dan elkander niet meer oordelen' (Romeinen 14:13). Hoe uw eigen kerk hierin staat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen. Geldt er thuis of op school een regel over haar, praat er dan rustig over met uw ouders of docenten en eer hun gezag. Ouders kunnen met de Bijbel open uitleggen waarom zij een regel stellen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Drie Formulieren van Enigheid noemen de haarlengte niet, maar geven wel lijnen. Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat de ceremoniën en afbeeldingen van de wet met de komst van Christus een einde hebben genomen, terwijl wij de getuigenissen uit de wet en de profeten blijven gebruiken om ons leven in alle eerbaarheid te regelen. Zo is de gelofte van Simson geen voorbeeld om na te volgen; wat het Oude Testament over eerbaarheid leert, blijft wel spreken.
Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus belijdt dat een gelovige met lichaam en ziel het eigendom van Jezus Christus is. Daarom raakt ook het uiterlijk aan de vraag hoe een christen zijn Heere eert. In Zondag 33 (vraag 91) noemt de catechismus goede werken alleen wat uit waar geloof, naar Gods wet en tot Zijn eer geschiedt, en niet wat op eigen goeddunken of op mensengeboden gegrond is. Dat spreekt naar twee kanten. Wie zijn haar draagt zoals hij zelf wil, mag zich afvragen of hij daarin de eer van de Heere zoekt of die van zichzelf. Wie een regel stelt, moet die uit de Schrift kunnen wijzen.
Dezelfde Zondag 1 troost met de belijdenis dat Christus de Zijnen zo bewaart, 'dat zonder den wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 1, vraag 1). Over haar kunnen christenen van mening verschillen. Dat de Vader elk haar kent, mag iedere gelovige weten.
'En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld' (Mattheüs 10:30)