Jezus sprak aan het kruis maar weinig. Zeven van Zijn woorden zijn ons in de evangeliën bewaard. De kerk noemt ze de zeven kruiswoorden. In de lijdenstijd en op Goede Vrijdag staan ze vaak centraal in de prediking. Hieronder vindt u alle zeven in de woorden van de Statenvertaling, met de plaats waar ze staan. Daarna leest u in welke volgorde Jezus ze waarschijnlijk sprak, wat elk woord betekent en hoe de belijdenis erover spreekt.
De zeven kruiswoorden op een rij
Geen van de evangelisten geeft alle zeven. Lukas en Johannes vermelden er elk drie, Mattheüs en Markus alleen de roep om God. Samen geven ze in de traditionele volgorde dit overzicht:
- Het eerste woord: 'Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen' (Lukas 23:34). Jezus bidt voor wie Hem kruisigen.
- Het tweede woord: 'Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn' (Lukas 23:43). Een stervende misdadiger krijgt de belofte van het leven.
- Het derde woord: 'Vrouw, zie, uw zoon' en daarna tot de discipel 'Zie, uw moeder' (Johannes 19:26-27). Jezus zorgt voor Maria.
- Het vierde woord: 'Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!' (Mattheüs 27:46). Hij draagt de verlating door God.
- Het vijfde woord: 'Mij dorst' (Johannes 19:28). Hij lijdt als waarachtig mens.
- Het zesde woord: 'Het is volbracht' (Johannes 19:30). Het werk van de verlossing is af.
- Het zevende woord: 'Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest' (Lukas 23:46). Hij geeft Zijn leven over aan de Vader.
Het hele verloop van die dag leest u in het verhaal van de kruisiging van Jezus.
In welke volgorde sprak Jezus de kruiswoorden?
De volgorde is een samenvoeging van de vier evangeliën. Een deel ervan geven de evangelisten zelf aan, een deel blijft een redelijke inschatting.
Het begin en het midden staan vast. Lukas plaatst het gebed om vergeving direct bij het kruisigen, terwijl de soldaten om de klederen het lot wierpen (Lukas 23:33-34). Het gesprek met de misdadiger kwam later, toen de spot al een tijd gaande was (Lukas 23:39-43). Daarna kwam de duisternis, van de zesde tot de negende ure (Mattheüs 27:45). Omtrent de negende ure riep Jezus het vierde woord (Mattheüs 27:46).
Johannes zegt niet op welk moment Jezus Zijn moeder aan de discipel toevertrouwde (Johannes 19:25-27). De traditie zet dat woord vóór de duisternis, wat goed past, maar de tekst zegt het niet. Ook bij de laatste twee woorden is de volgorde een afweging. Johannes eindigt met het zesde woord, Lukas met het zevende; beiden laten Jezus direct daarna sterven. Mattheüs en Markus melden dat Jezus vlak voor Zijn sterven nog eens met een grote stem riep (Mattheüs 27:50; Markus 15:37). Lukas zegt dat Jezus het zevende woord met grote stem riep (Lukas 23:46). Daarom wordt die laatste roep vaak verbonden met het zesde en het zevende woord, kort na elkaar.
Opmerkelijk is de verbinding tussen het vierde en het vijfde woord. Na de roep om God liep er iemand met een spons vol edik naar Jezus toe (Mattheüs 27:48). Johannes vertelt hetzelfde direct na het vijfde woord (Johannes 19:29). Wie de evangeliën naast elkaar legt, ziet dat zij elkaar aanvullen.
Wat betekenen de eerste drie kruiswoorden?
In de eerste drie woorden denkt Jezus aan anderen: aan Zijn vijanden, aan een misdadiger en aan Zijn moeder.
Het gebed om vergeving vervult wat Jesaja over de lijdende Knecht zei: Hij droeg de zonden van velen en bad voor de overtreders (Jesaja 53:12). Jezus vraagt geen wraak, Hij pleit voor wie Hem pijn doen. Stefanus bad later bij zijn eigen dood in dezelfde geest (Handelingen 7:60).
Het tweede woord is het antwoord op het gebed van de misdadiger, die vroeg of Jezus aan hem wilde denken als Hij in Zijn Koninkrijk kwam (Lukas 23:42). Die man had niets meer te bieden. Toch kreeg hij een belofte voor diezelfde dag. Zo laat het kruis zien wat genade is: onverdiend, en voor wie zich alleen aan Christus vastklampt.
Het derde woord gaat over Maria. Simeon had haar voorzegd dat een zwaard door haar ziel zou gaan (Lukas 2:35). Nu staat zij bij het kruis. Jezus vertrouwt haar toe aan de discipel die Hij liefhad, die haar vanaf dat uur in zijn huis nam (Johannes 19:26-27). In de grootste pijn eert de Zoon Zijn moeder, zoals het vijfde gebod vraagt (Exodus 20:12). De uitleg van Johannes 19 laat dit hoofdstuk in zijn verband zien.
Waarom riep Jezus: Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Het vierde woord is het zwaarste. Jezus spreekt de beginwoorden van Psalm 22 (Psalm 22:2). Mattheüs en Markus geven eerst de oorspronkelijke klank van de woorden en daarna de vertaling (Markus 15:34). Jezus riep dit na drie uur duisternis over het hele land.
Dit is geen wanhoop of ongeloof. Jezus zegt nog steeds Mijn God. Wel lijdt Hij hier werkelijk de verlating door God. Paulus zegt dat God Hem, Die geen zonde kende, voor ons tot zonde gemaakt heeft (2 Korinthe 5:21), en dat Christus een vloek werd voor ons (Galaten 3:13). Wat de zondaar verdiende, de toorn van God en het verstoten zijn van Zijn aangezicht, droeg Christus in de plaats van Zijn volk. Daarom hoeft wie in Hem gelooft dat nooit te dragen.
Hier ligt ook de uitleg die de Heidelbergse Catechismus geeft aan de woorden nedergedaald ter helle in het Apostolicum. Wat dat betekent, leest u bij de vraag of Jezus in de hel is geweest.
Wat waren de laatste woorden van Jezus aan het kruis?
De laatste drie kruiswoorden sprak Jezus kort voor Zijn sterven.
Het vijfde woord laat zien dat de Zoon van God waarachtig mens werd, met een lichaam dat uitgeput raakte. Johannes zegt erbij dat Hij het zei opdat de Schrift vervuld zou worden (Johannes 19:28). Psalm 69 sprak al van iemand die in zijn dorst edik te drinken kreeg (Psalm 69:22).
Het zesde woord is in het Grieks maar één woord (tetelestai). Het is geen zucht van uitputting, het is het einde van een opdracht. Jezus had tot de Vader gezegd dat Hij het werk voleindigd had dat Hem gegeven was (Johannes 17:4). Er hoeft aan Zijn offer niets meer te worden toegevoegd: 'Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden' (Hebreeën 10:14). Waarom dat offer nodig was, leest u bij de vraag waarom Jezus moest sterven.
Het laatste woord komt uit Psalm 31:6, een gebed van vertrouwen. Jezus voegt er het woord Vader aan toe. Zo beginnen en eindigen de zeven woorden met hetzelfde woord: Vader. Na de verlating van het vierde woord rust Hij weer in Gods hand. Hij gaf Zelf Zijn leven, zoals Hij gezegd had dat Hij Zijn leven uit Zichzelf aflegde en dat niemand het van Hem nam (Johannes 10:18).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenis spreekt niet over de kruiswoorden als geheel, maar wel over het lijden dat erin klinkt. Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus laat de gelovige belijden dat Christus in Zijn hele lijden, en vooral aan het kruis, in onuitsprekelijke benauwdheid gezonken was, om 'mij van de helse benauwdheid en pijn' te verlossen (Heidelbergse Catechismus, Zondag 16, vraag 44). Dat is de diepte van het vierde woord. De catechismus zegt erbij waarom dit troost geeft: opdat de gelovige 'in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 16, vraag 44). Wie zich door God verlaten voelt, mag weten dat Christus deze verlating al gedragen heeft.
HC Zondag 15 (vraag 37) belijdt dat Christus aan lichaam en ziel, en vooral aan het einde van Zijn leven, de toorn van God tegen de zonde gedragen heeft, als het enige zoenoffer. Artikel 21 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt hetzelfde. Het noemt de roep van het vierde woord uitdrukkelijk en belijdt dat Christus Zichzelf eenmaal heeft opgeofferd, zodat de gelovigen voor altijd volmaakt zijn. Zo leest de kerk het kruis: niet als het einde van een goed mens, maar als het volbrachte werk van de Zaligmaker.
'Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld' (Jesaja 53:5)