Wie de Bijbel openslaat, leest geen gewoon boek. Zij spreekt over God, over zonde en over de weg van behoud, en vraagt daarom om vertrouwen. Tegelijk is zij heel oud, door veel handen overgeschreven en door velen betwijfeld. Op deze pagina leest u wat de Bijbel over zichzelf zegt, wie haar schreven, hoe de tekst is overgeleverd, wat de archeologie laat zien, welke bezwaren er zijn en waarom de kerk de Schrift aanneemt als Gods Woord.
Wat zegt de Bijbel over haar eigen betrouwbaarheid?
De Bijbel presenteert zich als het spreken van God Zelf. De dichter van Psalm 12 zet de woorden van God tegenover de gladde taal van mensen: 'De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal' (Psalm 12:7). Zo zuiver als zevenmaal gelouterd zilver is wat God spreekt.
Paulus schrijft aan Timotheüs: 'Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is' (2 Timotheüs 3:16).
Is dat geen cirkelredenering? Elke hoogste autoriteit kan uiteindelijk alleen naar zichzelf verwijzen. Toen God aan Abraham een belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat er niemand meerder was dan Hij (Hebreeën 6:13). Tegelijk nodigt de Bijbel uit om na te gaan wat zij zegt. Van de Joden in Berea staat dat zij het woord met toegenegenheid ontvingen, 'onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren' (Handelingen 17:11).
Schreven ooggetuigen de Bijbel?
Veel bijbelboeken zijn geschreven door ooggetuigen of door mensen die hen hadden gesproken. Lukas begint zijn evangelie met een verantwoording van zijn werkwijze. Hij steunde op wat de aanschouwers van het begin hadden overgeleverd (Lukas 1:2), en schreef 'hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht' (Lukas 1:3). Zijn doel noemt hij er direct bij: 'Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt' (Lukas 1:4).
Petrus zegt het nog stelliger: 'Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit' (2 Petrus 1:16). In de uitleg van 2 Petrus 1 leest u dat hij hier terugdenkt aan de verheerlijking van Christus op de berg.
Ook Paulus verwijst naar getuigen die nog leefden: de opgestane Heere werd gezien door meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven waren toen hij schreef (1 Korinthe 15:6). Wie twijfelde, kon het hun vragen. Lukas noemt bovendien namen en jaartallen die de eerste lezers konden controleren, zoals het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius (Lukas 3:1).
Is de Bijbel betrouwbaar overgeleverd?
Lezen wij nog wat de schrijvers eens opschreven? De oorspronkelijke handschriften zijn verloren gegaan; wat bewaard bleef, zijn afschriften.
- Het Oude Testament: in 1947 werden bij Qumran, aan de Dode Zee, de eerste Dode Zeerollen gevonden. Daaronder was de Grote Jesajarol, een vrijwel volledige kopie van Jesaja van rond 125 voor Christus. Die rol is ongeveer duizend jaar ouder dan de oudste volledige Hebreeuwse handschriften die men daarvoor kende, zoals de Codex van Aleppo (rond 930) en de Codex Leningradensis (1008). De tekst bleek in hoofdzaak dezelfde, met verschillen vooral in spelling.
- Het Nieuwe Testament: er zijn duizenden Griekse handschriften en fragmenten bewaard, meer dan van enig ander boek uit de oudheid. Het oudste bekende stukje, Papyrus 52 in de John Rylands Library in Manchester, bevat enkele verzen uit Johannes 18 en wordt meestal in de eerste helft van de tweede eeuw gedateerd.
Handschriften verschillen wel onderling. Meestal gaat het om spelling, woordvolgorde of een weggevallen woord. De Statenvertalers gebruikten voor het Nieuwe Testament de Griekse tekst die in hun tijd gangbaar was, de Textus Receptus. Over de waarde van later gevonden handschriften verschillen christenen van inzicht. Voorstanders van de Textus Receptus wijzen op lezingen als 1 Johannes 5:7 die in veel oudere handschriften ontbreken; anderen wijzen erop dat geen leerstuk van het geloof op één omstreden lezing rust.
Jesaja schreef al: 'Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid' (Jesaja 40:8). Dat God Zijn Woord bewaart, is een belofte. De handschriften laten zien hoe Hij dat in de geschiedenis gedaan heeft.
Is de Bijbel waar volgens de archeologie?
Archeologie kan het geloof niet bewijzen. Zij kan wel laten zien dat de Bijbel spreekt over echte plaatsen, volken en personen. Enkele voorbeelden; de eerste twee komen in de blog over bijbelse archeologie uitgebreider aan bod:
- In 1993 werd bij Tel Dan, in het noorden van Israël, een inscriptie gevonden die spreekt over het huis van David. Daarvoor meenden sommige geleerden dat koning David nooit had bestaan.
- In 1961 vonden archeologen in het Romeinse theater van Caesarea een steen met de naam van Pontius Pilatus als stadhouder van Judea, de man aan wie Jezus werd overgeleverd (Mattheüs 27:2).
- Johannes beschrijft in Jeruzalem een badwater Bethesda met vijf zalen (Johannes 5:2). Bij opgravingen naast de Sint-Annakerk kwam een groot dubbel bassin met resten van zuilengangen tevoorschijn.
Eerlijk is ook dat niet alles is teruggevonden en dat archeologen het over sommige plaatsen oneens zijn, bijvoorbeeld over de datering van de verwoesting van Jericho (Jozua 6). Wat de grond niet prijsgeeft, is daarmee nog niet weerlegd. Het vertrouwen in de Bijbel hangt daarom niet af van de laatste opgraving.
Kunnen we de Bijbel vertrouwen ondanks de bezwaren?
Drie bezwaren worden vaak genoemd.
Tegenstrijdigheden. De evangeliën vertellen dezelfde gebeurtenissen soms met andere details, zoals onafhankelijke getuigen dat doen. Veel ogenschijnlijke tegenstrijdigheden lossen op wanneer een tekst in zijn verband gelezen wordt. Voorbeelden staan bij de vraag of er tegenstrijdigheden in de Bijbel staan.
Door mensen geschreven. De Bijbel is inderdaad door mensen geschreven, elk met een eigen stijl, in een eigen tijd en taal. Petrus zegt dat de heilige mensen Gods gesproken hebben, gedreven door de Heilige Geest (2 Petrus 1:21).
Wonderen. Wie vooraf aanneemt dat wonderen onmogelijk zijn, vertrekt van een uitgangspunt, geen uitkomst van onderzoek. Als God de hemel en de aarde geschapen heeft (Genesis 1:1), is het redelijk dat Hij in Zijn schepping kan handelen.
Ook wie eerlijk zoekt, houdt soms vragen over. De Heere Jezus vertrouwde de Schrift volkomen en zei dat de Schrift niet kan gebroken worden (Johannes 10:35). Wie een moeilijke passage tegenkomt, mag die vraag openhouden en verder lezen, in het vertrouwen dat het probleem in ons begrip ligt en niet in Gods Woord. Weegt een vraag zwaar, bespreek haar dan gerust met uw predikant, ouderling of een gemeentelid dat u vertrouwt. Meer over wat de Schrift zegt over vertrouwen op God leest u in de bijbelteksten over vertrouwen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De reformatorische kerken belijden het gezag en de betrouwbaarheid van de Schrift in de artikelen 2 tot en met 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Artikel 5 zegt waarom de kerk deze boeken als heilig en canoniek ontvangt en zonder twijfel gelooft wat erin staat. De diepste reden is dat de Heilige Geest in het hart getuigt dat ze van God zijn; dat ook de kerk ze aanneemt, is niet de eerste grond. Bovendien dragen deze boeken volgens hetzelfde artikel het bewijs in zichzelf: zelfs wie blind is, kan merken dat wat erin voorzegd is, ook gebeurt. Zo noemde Micha Bethlehem als de plaats waar de Heerser over Israël zou voortkomen (Micha 5:1), eeuwen voordat Christus daar geboren werd (Mattheüs 2:1).
Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus legt het verband met het geloof. Een waar geloof is volgens vraag 21 een stellig weten, 'waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 7, vraag 21), en tegelijk een vast vertrouwen, door de Heilige Geest door het evangelie in het hart gewerkt.
Vondsten en argumenten kunnen bezwaren wegnemen; zekerheid geeft alleen God Zelf. Paulus dankte God dat de gemeente in Thessalonica de prediking aannam als wat zij werkelijk is, Gods Woord, dat werkt in wie gelooft (1 Thessalonicenzen 2:13). En dat Woord wijst naar Christus. Johannes schreef zijn evangelie opdat de lezer gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en door te geloven het leven heeft in Zijn Naam (Johannes 20:31).
'Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid' (Johannes 17:17)