Wie een bijbel openslaat, leest woorden van herders, koningen, profeten, een tollenaar, een arts en vissers. Toch leest de kerk het geheel als één boek met één boodschap. Hieronder leest u welke schrijvers de Bijbel zelf noemt, wanneer zij leefden, hoe zij te werk gingen en waarom bij sommige boeken een naam ontbreekt. Daarna komt de vraag aan bod die achter dit alles ligt: wat de Bijbel zelf zegt over haar eigenlijke Auteur.
Wie heeft de Bijbel geschreven en wanneer?
De Bijbel telt 66 boeken: 39 in het Oude Testament en 27 in het Nieuwe Testament. Ze zijn geschreven door meer dan veertig mensen, verspreid over ongeveer 1.500 jaar. De oudste schrijver is Mozes, die rond 1400 voor Christus leefde. Die datering volgt uit 1 Koningen 6:1, dat de bouw van de tempel (rond 966 voor Christus) in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht uit Egypte plaatst. De laatste boeken schreef de apostel Johannes, volgens de oude overlevering van de kerk aan het eind van de eerste eeuw na Christus. De Openbaring schreef hij op het eiland Patmos, waar hij om het Woord Gods was (Openbaring 1:9); volgens de overlevering was hij daarheen verbannen.
Tussen die twee liggen de eeuwen van de richters en de koningen, de ballingschap in Babel en de terugkeer naar Jeruzalem. De schrijvers kenden elkaar meestal niet. Ze schreven in het Hebreeuws (een klein deel in het Aramees) of in het Grieks, en woonden in Israël, in Babel, in Rome of in Klein-Azië. Waar hun boeken in de geschiedenis liggen, ziet u op de tijdlijn van de Bijbel.
Wie schreef het Oude Testament?
Bij veel boeken van het Oude Testament noemt de Bijbel zelf de schrijver. Van Mozes staat het er met zoveel woorden: 'Mozes nu beschreef al de woorden des HEEREN' (Exodus 24:4). Bij andere boeken noemt het opschrift een naam, of geeft de oude Joodse en christelijke overlevering die door. Op een rij:
- Mozes: de vijf boeken van Genesis tot en met Deuteronomium (Deuteronomium 31:24)
- David en andere dichters: het grootste deel van de Psalmen
- Salomo: het grootste deel van Spreuken, en Prediker en Hooglied
- de grote profeten: Jesaja, Jeremia (volgens de overlevering ook Klaagliederen), Ezechiël en Daniël
- de twaalf kleine profeten: van Hosea tot en met Maleachi, elk het boek dat zijn naam draagt
- Ezra en Nehemia: de boeken over de terugkeer uit Babel, die deels in de ik-vorm geschreven zijn
- zonder bekende schrijver: onder andere Richteren, Ruth, Koningen, Kronieken, Esther en Job
Dat Mozes de vijf boeken schreef, betekent niet dat elk vers van zijn hand is. Deuteronomium eindigt met zijn dood en begrafenis (Deuteronomium 34:5-6); die laatste verzen schreef een ander, volgens de Joodse overlevering in de Talmud (Baba Bathra 14b-15a) Jozua. Ook bij Spreuken staat dat de mannen van koning Hizkia spreuken van Salomo hebben uitgeschreven (Spreuken 25:1). In de moderne bijbelwetenschap denken velen dat de boeken van Mozes pas eeuwen later uit oudere bronnen zijn samengesteld. De reformatorische kerken houden vast aan Mozes als schrijver, omdat de Heere Jezus Zelf over hem spreekt als iemand die geschreven heeft: 'want hij heeft van Mij geschreven' (Johannes 5:46). Over de dichters van de Psalmen leest u meer bij de vraag wie de psalmen schreef.
Wie schreef het Nieuwe Testament?
Het Nieuwe Testament heeft een kleinere kring van schrijvers: apostelen en mannen die dicht bij de apostelen stonden. Zij schreven grotendeels in de tweede helft van de eerste eeuw.
- Mattheüs, de tollenaar die apostel werd (Mattheüs 10:3): het eerste evangelie
- Markus: het tweede evangelie
- Lukas, de arts die met Paulus reisde (Kolossenzen 4:14): het evangelie naar Lukas en de Handelingen der apostelen
- Johannes, de apostel: het evangelie, drie brieven en de Openbaring
- Paulus: dertien brieven die met zijn naam beginnen, van Romeinen tot en met Filemon
- Petrus, Jakobus en Judas: de brieven die hun naam dragen
- de brief aan de Hebreeën: de brief noemt geen schrijver; de Statenvertaling en artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis rekenen hem tot de brieven van Paulus
De evangeliën noemen hun schrijver niet in de tekst zelf; de namen komen uit de vroegste overlevering van de kerk. Aan het eind van het vierde evangelie staat wel dat de discipel die Jezus liefhad deze dingen geschreven heeft (Johannes 21:24). De brief aan de Hebreeën noemt zijn schrijver niet. De westerse kerk, de Statenvertaling en artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis rekenen hem tot de veertien brieven van Paulus, maar al in de oude kerk werd ook aan anderen gedacht, zoals Barnabas of Lukas. De brief verliest daardoor niets van zijn gezag, want het gezag van een bijbelboek hangt niet aan de naam van de schrijver. Petrus noemt de brieven van Paulus zelfs al in één adem met de andere Schriften (2 Petrus 3:16).
Hoe schreven de bijbelschrijvers?
De Bijbel laat zien dat God de schrijvers op verschillende manieren gebruikte. Jeremia kreeg een rechtstreekse opdracht van de HEERE: 'Neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb' (Jeremia 36:2). Hij dicteerde ze aan zijn helper Baruch, die ze uit zijn mond opschreef (Jeremia 36:4). Ook Paulus liet zijn brieven vaak door een ander opschrijven. In de brief aan de Romeinen groet die schrijver zelf: 'Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere' (Romeinen 16:22). Paulus zette dan eigenhandig de groet eronder, als teken dat de brief echt van hem kwam (2 Thessalonicenzen 3:17).
Lukas werkte als een zorgvuldig geschiedschrijver. Hij ging na wat de ooggetuigen hadden overgeleverd en schreef zijn evangelie 'hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht' (Lukas 1:3). Zo ziet u in de Bijbel ook de persoon van elke schrijver: de korte, levendige stijl van Markus, de dichterlijke taal van Jesaja, de lange redeneringen van Paulus. God schakelde hun karakter, kennis en taal niet uit. Hij gebruikte ze.
Wie schreef de Bijbel echt: God of mensen?
Het antwoord van de Bijbel zelf is: allebei, elk op een eigen manier. De schrijvers waren echte mensen met een eigen stijl, en wat zij schreven, kwam toch van God. Petrus zegt het zo: 'Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods van den Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken' (2 Petrus 1:21). Meer over deze tekst leest u in de uitleg van 2 Petrus 1.
Paulus zegt hetzelfde over de hele Schrift: 'Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering' (2 Timotheüs 3:16). Daarom spreekt de Bijbel over zichzelf als het Woord van God, ook waar een mens de pen vasthield. De brief aan de Hebreeën begint met dezelfde gedachte: God heeft voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken door de profeten, en in deze laatste dagen door de Zoon (Hebreeën 1:1). Wat die ingeving inhoudt, leest u bij de vraag of de Bijbel door God is ingegeven.
Dat verklaart ook de eenheid van de Bijbel. Meer dan veertig schrijvers in verschillende landen en eeuwen vertellen samen één geschiedenis: van de schepping en de zondeval, via de beloften aan Abraham en David, naar de komst van Christus en Zijn wederkomst. De Heere Jezus wees er Zelf op dat in de wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen over Hem geschreven was (Lukas 24:44).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De kerk van de Reformatie heeft dit dubbele antwoord vastgelegd in artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar belijdt zij met 2 Petrus 1:21 dat Gods Woord van de Heilige Geest komt: heilige mannen Gods hebben gesproken, door Hem gedreven. Daarna heeft God in Zijn bijzondere zorg voor ons en onze zaligheid Zijn knechten, de profeten en apostelen, bevolen Zijn geopenbaard Woord op te schrijven. De twee tafelen van de wet schreef Hij zelfs met Zijn eigen vinger (Exodus 31:18). Artikel 5 voegt eraan toe dat de gelovigen deze boeken als heilig ontvangen vooral omdat de Heilige Geest in hun hart getuigt dat ze van God zijn.
Zo noemt Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 21) het ware geloof onder meer een stellig weten, waardoor ik 'alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard', en tegelijk een vast vertrouwen. Wie de Bijbel leest, heeft dus met mensen van vlees en bloed te maken, en door hen heen met God Zelf, Die spreekt.
'Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid' (1 Petrus 1:25)