Inleiding tot Psalm 12
Psalm 12 is een krachtige psalm waarin David een dringende smeekbede richt tot God vanwege de overhand van leugens en bedrog in zijn tijd. Deze korte maar indringende psalm contrasteert de onbetrouwbare woorden van mensen met de volmaakte betrouwbaarheid van Gods woorden.
In de Statenvertaling is het opschrift ("Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.") vers 1. Daardoor ligt elk versnummer op deze pagina één hoger dan in Engelse bijbels, die het opschrift niet meetellen.
Hoofdthema's van Psalm 12
De Klacht: Verdwijning van Eerlijkheid (vers 2-3)
De psalm begint met een urgent gebed: "Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen." David ziet om zich heen en constateert dat eerlijke, godvrezende mensen steeds schaarser worden. In plaats daarvan zijn er mensen die valsheid spreken, "met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart" (vers 3). Deze observatie weerspiegelt een morele crisis in de samenleving waarin waarheid en eerlijkheid plaats hebben gemaakt voor manipulatie en bedrog.
Gods Oordeel over Valse Spraak (vers 4-5)
David vraagt God om in te grijpen tegen "de grootsprekende tong" (vers 4) van degenen die beweren: "Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?" (vers 5). Deze verzen tonen de arrogantie van mensen die denken dat ze door slimme woorden en manipulatie alles kunnen bereiken, zonder rekening te houden met God.