Ga naar hoofdinhoud
Zonde en verlossingGevorderd

Heeft de mens een vrije wil volgens de Bijbel?

Kort antwoord

De mens heeft volgens de Bijbel een vrije wil in dagelijkse keuzes onder Gods bestuur, maar sinds de zondeval kiest hij niet uit zichzelf voor God. Niemand kan tot Christus komen, tenzij hij door de Vader getrokken wordt (Johannes 6:44). Toch blijft ieder mens verantwoordelijk, en God vernieuwt de wil door Zijn Geest, zodat een zondaar gewillig komt.

Kan een mens zelf voor God kiezen, of moet God eerst iets in hem veranderen? Die vraag houdt christenen al sinds de vroege kerk bezig en raakt aan de verkondiging en de zekerheid van het geloof. Hier leest u wat de Bijbel zegt over de wil van de mens voor en na de zondeval, waarom de Schrift toch oproept om te kiezen, en hoe Luther, Erasmus en de Synode van Dordrecht erover dachten.

Wat zegt de Bijbel over de vrije wil?

God schiep de mens goed, naar Zijn beeld (Genesis 1:27). Adam kon God gehoorzamen en kon ook eten van de boom die God verboden had (Genesis 2:17). God heeft de mens recht gemaakt, en de mens heeft zelf veel vonden gezocht (Prediker 7:29).

Na de zondeval is de mens geen machine. Hij kiest: wat hij eet, met wie hij trouwt, welk werk hij doet. Dat zijn echte keuzes, waarvoor hij verantwoordelijk is. Het hart van de mens overdenkt zijn weg, terwijl de HEERE zijn gang bestuurt (Spreuken 16:9).

In de verhouding tot God ligt het anders. De Heere Jezus zegt: 'Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde' (Johannes 8:34). Paulus schrijft dat het denken van de mens van nature tegen God ingaat: 'het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet' (Romeinen 8:7). En hij noemt de mens zonder Christus geestelijk dood: 'daar gij dood waart door de misdaden en de zonden' (Efeze 2:1).

Het onderscheid is dus: in de dingen van dit leven kiest de mens werkelijk zelf; in de dingen van God is zijn wil gebonden. Het probleem is niet dat hij gedwongen wordt, maar dat hij God niet wil.

Kan een mens uit zichzelf voor God kiezen?

Het duidelijkste antwoord gaf de Heere Jezus Zelf in de synagoge van Kapernaum: 'Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke' (Johannes 6:44). Het woord kan is beslissend: mensen willen niet komen, en uit zichzelf kunnen zij het ook niet. In de uitleg van Johannes 6 leest u hoe Hij dat verbindt met de belofte dat allen die de Vader Hem geeft, tot Hem zullen komen.

Paulus zegt dat de natuurlijke mens de dingen van de Geest van God niet begrijpt (1 Korinthe 2:14). Daarom belooft God in het Oude Testament een nieuw hart: Hij neemt het stenen hart weg en geeft een vlezen hart (Ezechiël 36:26).

Over Lydia in Filippi staat dat de Heere haar hart opende, zodat zij acht gaf op wat Paulus zei (Handelingen 16:14). Zo is het geloof een daad van de mens en tegelijk een gave van God (Efeze 2:8; Filippenzen 1:29).

Waarom roept de Bijbel dan op om te kiezen?

Als de mens niet uit zichzelf voor God kan kiezen, waarom zegt Jozua dan tegen Israël: 'kiest u heden, wien gij dienen zult' (Jozua 24:15)? En waarom roept Mozes het volk op om het leven te kiezen (Deuteronomium 30:19)?

De oproep is gemeend: God heeft geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft (Ezechiël 33:11). Als mensen niet komen, ligt dat aan henzelf: zij willen niet tot Christus komen om het leven te hebben (Johannes 5:40), en Jeruzalem heeft niet gewild (Mattheüs 23:37).

Hoe kan God dan iets vragen wat de mens niet kan? De Heidelbergse Catechismus antwoordt in Zondag 4 (vraag 9) dat God de mens zo schiep dat hij Gods wet kon doen, en dat de mens zichzelf door moedwillige ongehoorzaamheid van die gaven beroofde. Het onvermogen is dus de eigen schuld van de mens, en juist daarom is hij geheel op Gods genade aangewezen.

Paulus brengt beide kanten in één gedachte samen. Hij roept op om met vreze en beven aan de zaligheid te werken (Filippenzen 2:12), en geeft de reden: 'Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen' (Filippenzen 2:13). De gelovige wil en werkt echt, en God werkt dat willen in hem. Wie zich afvraagt of hij wel kan kiezen, hoeft niet op kracht in zichzelf te wachten. De uitnodiging staat er al: 'die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen' (Johannes 6:37). Wie hier persoonlijk mee worstelt, kan dat bespreken met zijn predikant of ouderling.

Vrije wil in het christendom: van Augustinus tot Dordt

Rond het jaar 400 leerde de monnik Pelagius dat een mens Gods geboden met zijn natuurlijke krachten kan houden. Augustinus, bisschop van Hippo, stelde daartegenover dat de mens sinds Adam genade nodig heeft om het goede zelfs maar te willen, en wees daarbij vaak op het woord van Christus dat niemand zonder Hem iets kan doen (Johannes 15:5). De Synode van Carthago (418) veroordeelde het pelagianisme.

In 1524 schreef Desiderius Erasmus, de humanist uit Rotterdam, De libero arbitrio (Over de vrije wil). Hij verdedigde dat de mens een eigen, zij het klein, vermogen heeft om zich tot Gods genade te wenden of zich ervan af te keren. Maarten Luther antwoordde in 1525 met De servo arbitrio (Over de gebonden wil). Zijn kern: in alles wat het heil betreft, is de wil gebonden aan de zonde, en alleen Gods genade maakt hem vrij. Aan het slot van dat boek schrijft Luther dat Erasmus, anders dan zijn andere tegenstanders, de kern van de zaak had geraakt.

In de Nederlanden dienden de volgelingen van de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius in 1610 de Remonstrantie in. Zij erkenden dat een mens zonder Gods genade niets goeds kan, en leerden tegelijk dat die genade weerstaan kan worden. De Synode van Dordrecht (1618-1619) wees dat af in de Dordtse Leerregels. Calvijn had die lijn al uitgewerkt in zijn Institutie (boek II, hoofdstuk 2 en 3). Hoe zij doorwerkt in de leer van de verkiezing, leest u bij wat het calvinisme leert en op de pagina over predestinatie in de Bijbel.

Waar christenen verschillen

Alle bijbelgetrouwe christenen belijden dat de mens zondaar is, Gods genade nodig heeft en verantwoordelijk is. Het verschil gaat over wat de genade doet en wat de mens zelf bijdraagt.

  • Rooms-katholiek: het Concilie van Trente (zesde zitting, 1547) leerde dat de vrije wil door de val verzwakt is en niet verloren. Door Gods genade bewogen, stemt de mens in en werkt hij mee aan zijn rechtvaardiging.
  • Remonstrants en arminiaans: de mens kan uit zichzelf niets goeds; Gods genade gaat voor en maakt het mogelijk dat hij voor Christus kiest, maar die genade kan weerstaan worden (men wijst op Handelingen 7:51 en Mattheüs 23:37). Deze lijn leeft voort bij methodisten en in veel evangelische en baptistengemeenten.
  • Luthers: met Luther belijdt deze traditie de gebonden wil in geestelijke zaken, en zij leert tegelijk dat de mens de genade kan afwijzen.
  • Reformatorisch: de wil is in geestelijke zaken dood en gebonden. God maakt hem levend door de wedergeboorte; dan gelooft de mens zelf en gewillig (Psalm 110:3). Wie gelooft, dankt dat aan God alleen.

Het verschil is ernstig, want het raakt de vraag of de zaligheid geheel uit genade is (Efeze 2:8-9). Tegelijk maakt het iemand die hier anders over denkt geen ongelovige; ook arminiaanse christenen danken God voor hun geloof.

Wat zeggen de belijdenisgeschriften?

In Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 8) wordt gevraagd of wij zo verdorven zijn 'dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad'. Het antwoord luidt: 'Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden'.

Artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de mens goed schiep en dat de mens door de zonde zijn uitnemende gaven verloor. Er bleven slechts kleine overblijfselen over, genoeg om hem zonder verontschuldiging te laten. Het artikel verwerpt daarom de leer van de vrije wil van de mens, omdat hij een slaaf van de zonde is, en wijst op Johannes 6:44 en Romeinen 8:7.

De Dordtse Leerregels werken dit uit in hoofdstuk III/IV. Zonder de wedergeboorte door de Heilige Geest zijn alle mensen onbekwaam tot het zaligmakend goede (artikel 3). Toch behandelt de genade de mens niet als een stuk hout: zij neemt de wil niet weg en dwingt hem niet, zij maakt hem levend, geneest en buigt hem (artikel 16). Zo wordt de gebonden wil door Christus werkelijk vrij.

'Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn' (Johannes 8:36)

Bijbelverwijzingen

vrije wil bijbelvrije wilheeft de mens een vrije wilvrije wil christendomluther en erasmushc zondag 3ngb art. 14dl iii/iv

Stel uw eigen vraag

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Stel uw vraag aan de AI BijbelAssistent en krijg direct een onderbouwd antwoord met bijbelverwijzingen.

Stel een vraag

Gerelateerde vragen

Kerken en religies

Wat is het calvinisme?

Calvinisme is de stroming binnen de Reformatie die teruggaat op de Franse hervormer Johannes Calvijn (1509-1564). De kern is dat God soeverein is en dat de zaligheid geheel uit Zijn vrije genade komt (Romeinen 9:16). Daarom wil het calvinisme heel het leven, ook werk, gezin en samenleving, onder Gods Woord stellen.

Zonde en verlossing

Kan een christen zijn redding verliezen?

Volgens de reformatorische kerken kan een ware christen zijn redding niet verliezen, omdat God de gelovige bewaart tot het einde (Johannes 10:28). Dat heet de volharding der heiligen. Rooms-katholieke, lutherse en remonstrantse christenen leren dat het wel kan. De ernstige waarschuwingen tegen afval in de Bijbel gebruikt God juist als middel om de Zijnen te bewaren.

Zonde en verlossing

Hoe word ik christen?

Hoe word ik christen? De Bijbel antwoordt: door bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus (Markus 1:15). Dat geloof werkt God Zelf door Zijn Woord en Geest. Wie Christus zoekt, mag de Bijbel lezen, om genade bidden, een kerk zoeken en met een predikant spreken. Christus wijst niemand af die tot Hem komt.

Zonde en verlossing

Wordt een mens gered door geloof of werken?

Op de vraag geloof of werken antwoordt de Bijbel dat een mens gered wordt door het geloof in Christus, zonder de werken der wet (Romeinen 3:28). Goede werken zijn de vrucht van dat geloof en geen grond voor Gods vrijspraak. Als Jakobus zegt dat geloof zonder werken dood is, bedoelt hij een geloof dat alleen uit woorden bestaat.

Geloofsleven en gebed

Mag een christen twijfelen aan God?

Een christen kan twijfelen aan God zonder daardoor een ongelovige te zijn. De Bijbel laat het eerlijk zien bij Thomas, Johannes de Doper en de vader die riep: 'Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp' (Markus 9:24). Twijfel is geen deugd, wel een strijd waarin Christus de zwakke gelovige vasthoudt.

Verdiep u verder