Het Evangelie van de Opstanding (1 Korinthe 15:1-11)
1 Korinthe 15 begint met Paulus die de Korinthiërs herinnert aan het evangelie dat hij hen heeft verkondigd. Hij benadrukt dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, dat Hij begraven werd en dat Hij opgestaan is op de derde dag. Dit is de kern van het christelijke geloof.
Paulus somt verschillende getuigen op van Christus' opstanding: Cefas (Petrus), de twaalf apostelen, meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, Jakobus, alle apostelen, en ten slotte hijzelf. Deze getuigenissen geven historische geloofwaardigheid aan de opstanding en tonen aan dat dit geen mythe of verzonnen verhaal is.
De Zekerheid van de Opstanding (1 Korinthe 15:12-34)
Sommige Korinthiërs twijfelden aan de opstanding uit de dood. Paulus toont logisch aan dat als er geen opstanding is, dan is Christus ook niet opgestaan. Dit zou betekenen dat het evangelie vals is, de apostelen valse getuigen zijn, en gelovigen nog in hun zonden leven.
Paulus maakt duidelijk dat Christus' opstanding de 'eersteling' is van hen die zijn ontslapen. Net zoals door Adam de dood in de wereld kwam, zo komt door Christus de opstanding. Dit geeft gelovigen de zekerheid dat de dood niet het eindpunt is.
De apostel vraagt zich retorisch af waarom hij zichzelf dan in gevaar zou brengen als er geen opstanding is. Zijn bereidheid om te lijden voor het evangelie toont zijn overtuiging dat de opstanding werkelijk is.