Iemand krijgt een hartstilstand, wordt gereanimeerd en vertelt later over een tunnel, een helder licht en een diepe vrede. Zulke verhalen maken indruk, ook in de kerk, en de vraag ligt voor de hand of dit een blik in de hemel is. Hieronder leest u wat Paulus over de derde hemel schreef en vooral wat hij er niet over vertelde, hoe zulke ervaringen getoetst worden en waar de zekerheid over het leven na de dood wel ligt.
Wat is een bijna-doodervaring?
Een bijna-doodervaring is wat mensen beleven wanneer zij dicht bij de dood zijn geweest, bijvoorbeeld bij een hartstilstand of een zwaar ongeluk, en daarna weer bijkomen. Zij vertellen dat zij boven hun lichaam leken te zweven, een licht zagen of overleden familieleden ontmoetten. Er zijn ook verhalen die juist beangstigend zijn.
De term raakte bekend door het boek Life After Life (1975) van de Amerikaanse arts Raymond Moody. In Nederland bracht de cardioloog Pim van Lommel het onderwerp onder de aandacht met een onderzoek onder patiënten die een hartstilstand overleefden (The Lancet, 2001) en met zijn boek Eindeloos bewustzijn (2007). Over de oorzaak verschillen artsen. Sommigen zoeken de verklaring in wat de hersenen doen bij zuurstoftekort, medicijnen of grote stress; anderen, onder wie Van Lommel, vinden dat geen afdoende verklaring. Die vraag hoort bij de geneeskunde en is niet beslecht.
Voor een christen ligt de vraag op een ander vlak. Wie zoiets meemaakte, beschrijft wat hij werkelijk beleefd heeft. Beleven is echter iets anders dan weten wat er na de dood is. Voor die kennis wijst de Bijbel ons naar wat God Zelf gezegd heeft, naar de wet en de getuigenis (Jesaja 8:20).
Wat schreef Paulus over de derde hemel?
De Bijbel bevat één verslag dat vaak met een bijna-doodervaring vergeleken wordt. In 2 Korinthe 12 schrijft Paulus over een gelovige die veertien jaar eerder 'opgetrokken is geweest tot in den derden hemel' (2 Korinthe 12:2). Uit het verband blijkt dat hij het over zichzelf heeft (2 Korinthe 12:7). Hij werd opgetrokken in het paradijs en hoorde daar 'onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken' (2 Korinthe 12:4). De uitleg van 2 Korinthe 12 loopt het hoofdstuk vers voor vers door.
Opvallend is wat Paulus allemaal niet vertelt:
- Geen beschrijving. Hij noemt geen licht, geen tunnel, geen landschap en geen ontmoetingen.
- Geen zekerheid over de wijze. Twee keer zegt hij dat hij niet weet of het in of buiten het lichaam gebeurde, en hij laat dat aan God over (2 Korinthe 12:2-3).
- Geen roem. Hij noemt zijn roemen onwijs, waartoe de gemeente hem genoodzaakt had (2 Korinthe 12:11), en roemt liever in zijn zwakheden (2 Korinthe 12:5).
- Geen leer. Paulus bouwde er geen leer over de hemel op. God gaf hem daarna een doorn in het vlees, opdat hij zich niet zou verheffen (2 Korinthe 12:7).
De tekst zegt ook nergens dat Paulus toen op sterven lag. Het ging om openbaringen van de Heere aan een apostel (2 Korinthe 12:1). Wie dat naast boeken legt die de hemel tot in kleuren en gesprekken beschrijven, ziet het verschil.
Iets vergelijkbaars geldt voor wie in de Bijbel uit de dood werd opgewekt, zoals de jongeling te Naïn (Lukas 7:15), Tabitha (Handelingen 9:40) en Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen (Johannes 11:17). Van geen van hen tekent de Bijbel op wat hij of zij gezien heeft.
Is een bijna-doodervaring volgens de Bijbel een blik in de hemel?
In Lukas 16 vertelt de Heere Jezus over een rijke man die na zijn dood vraagt of de arme Lazarus naar zijn broers mag gaan om hen te waarschuwen. Abraham antwoordt: 'Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al waren het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen' (Lukas 16:31). Een bericht van iemand die terugkwam, voegt niets toe aan wat God in Zijn Woord gezegd heeft.
Daarom wordt elke ervaring getoetst. Paulus is daarin onverbiddelijk: 'Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt' (Galaten 1:8). Als zelfs een engel uit de hemel aan het Evangelie gemeten wordt, dan ook het verhaal van een mens die meent de hemel gezien te hebben. Johannes roept op de geesten te beproeven (1 Johannes 4:1), en Paulus waarschuwt dat de satan zich voordoet als een engel des lichts (2 Korinthe 11:14). Dat wil niet zeggen dat elke ervaring van de boze komt; wel dat de inhoud aan de Schrift gemeten wordt, wat de oorzaak ook is.
Soms botst die inhoud met de Bijbel. Sommige verhalen spreken van een licht dat iedereen verwelkomt, wat hij ook geloofde, en van een sterven zonder oordeel. De Schrift zegt dat Christus de enige weg tot de Vader is (Johannes 14:6) en dat na de dood het oordeel komt (Hebreeën 9:27). Waar een ervaring iets anders leert, gaat het Woord voor. En waar een verhaal de Bijbel lijkt te bevestigen, rust het geloof nog steeds op wat God gezegd heeft.
Hoe kijkt een christen naar een bijna-doodervaring?
Een christelijke kijk op de bijna-doodervaring is nuchter en geduldig. Wie zoiets meemaakte, verdient een geduldig gehoor, en niemand hoeft zijn geloof erop te bouwen. Petrus had de majesteit van Christus op de heilige berg met eigen ogen gezien (2 Petrus 1:16-18). Toch schrijft hij direct daarna: 'En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is' (2 Petrus 1:19). Als een apostel die de heerlijkheid van Christus zag, naar het Woord wijst als het vaste licht, dan geldt dat des te meer voor ervaringen die niemand kan nagaan.
Hebt u zelf zoiets meegemaakt, dan mag u er rustig over nadenken en erover praten met uw predikant of ouderling. Een vredige ervaring is geen bewijs dat het goed is tussen u en God, en een beangstigende ervaring is geen vonnis. Vrede met God is er door het geloof in de Heere Jezus Christus (Romeinen 5:1). De Heere Jezus noemde hen zalig die niet gezien hebben en toch geloven (Johannes 20:29). Houdt u na een reanimatie lichamelijke of psychische klachten, bespreek die dan ook met uw huisarts.
Vertelde iemand die u inmiddels verloren hebt over zo'n ervaring, dan hoeft u die herinnering niet weg te leggen. Het oordeel over een mens is aan God, en Hij kent wat wij niet zien. Spreek er gerust over met uw predikant of ouderling.
Waar ligt de zekerheid over het leven na de dood?
De Bijbel spreekt over de dood met een vastheid die geen ervaring kan geven: 'En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel' (Hebreeën 9:27). Wie van de rand van de dood terugkomt, heeft die ene stap nog niet gezet. Wat er na het sterven is, weten wij daarom alleen doordat God het ons gezegd heeft.
En wat Hij zegt, is voor wie in Christus gelooft vol troost. Paulus had begeerte 'om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste' (Filippenzen 1:23). Tegen de misdadiger aan het kruis zei de Heere Jezus dat hij nog diezelfde dag met Hem in het Paradijs zou zijn (Lukas 23:43). Die zekerheid hangt aan Christus Zelf, Die gestorven en opgestaan is. Meer daarover leest u bij wat er volgens de Bijbel na de dood gebeurt en bij de vraag of er leven na de dood is. Teksten over de hoop van de gelovige staan bij wat de Bijbel over het eeuwige leven zegt.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en alles wat een mens moet geloven om zalig te worden. Geen geschrift van mensen, hoe heilig zij ook waren, en geen gewoonte, menigte of oudheid mag daarmee gelijkgesteld worden. Met de woorden van Galaten 1:8 zegt het artikel dat zelfs een engel uit de hemel niets anders mag leren. Een bijna-doodervaring valt onder die regel: zij kan veel zeggen over wat een mens beleefd heeft, en niets toevoegen aan wat God geopenbaard heeft.
Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus belijdt in vraag 57 dat de ziel van de gelovige na dit leven 'terstond tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 22, vraag 57). Vraag 58 spreekt van de 'volkomen zaligheid' die de gelovige na dit leven bezitten zal, 'die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in geen mensenhart is opgekomen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 22, vraag 58), naar 1 Korinthe 2:9. Die taal is bescheidener en rijker dan die van verhalen die de hemel al in beeld menen te hebben.
'Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven' (Johannes 5:24)