Hellenbroek hoofdstuk 1: Van de kennis van God
In het kort
Hellenbroek hoofdstuk 1 leert dat God gekend wordt uit de natuur en uit de Heilige Schrift. De natuur laat zien dat er een God is, maar alleen de Schrift maakt Christus bekend en wijst zo de weg tot de zaligheid.
De vragen en antwoorden van Hellenbroek, hoofdstuk 1
1. Waaruit weet men dat er een God is?
Antw.Uit de natuur en uit de Heilige Schrift.
2. Hoe velerlei is de kennis van God uit de Natuur?
Antw.Tweeërlei; 1. Eene inwendige of ingeschapene kennis. 2. Eene uitwendige of verkregene kennis.
3. Welke is de inwendige of ingeschapene kennis?
Antw.Die allen menschen van nature in hun hart is aangeboren.
Bewijstekst: Romeinen 1:19
- Romeinen 1:19 Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
4. Hoe kan er zulk een ingeschapene kennis zijn, daar er dwazen zijn, die in hun hart zeggen: Er is geen God?
Antw.Dat is meer een wenschen, dan een dadelijk gelooven, dat er geen God is.
Bewijstekst: Psalm 14:1
- Psalm 14:1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
Noot. 1877 en Callenbach hebben 'zulk eene ingeschapene kennis'; Callenbach heeft 'daar is geen God'.
5. Welke is de uitwendige of verkregene kennis?
Antw.Die men haalt uit de schepselen buiten ons.
Bewijstekst: Psalm 19:2-3
- Psalm 19:2-3 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
6. Hoe kan men uit de schepselen besluiten, dat er een God moet zijn?
Antw.Omdat zij door zich zelven niet zijn noch blijven kunnen, maar noodzakelijk van God moeten geschapen zijn, en nog onderhouden worden.
Bewijstekst: Job 12:9
- Job 12:9 Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?
7. Is de kennis uit de natuur genoeg om zalig te worden?
Antw.Neen.
8. Waarom niet?
Antw.Omdat men er Christus niet uit kennen kan.
9. Is Christus te kennen, juist noodig tot zaligheid?
Antw.Ja.
Bewijstekst: Johannes 17:3
- Johannes 17:3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Noot. De kopieerbron heeft 'Ja:' gevolgd door de verwijzing; zonder de verwijzing staat er een punt.
10. Waaruit moet men de zaligmakende kennis halen?
Antw.Uit de Heilige Schrift.
Bewijstekst: 2 Petrus 1:19
- 2 Petrus 1:19 En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.
Tekst: A. Hellenbroek, Voorbeeld der Goddelijke Waarheden voor eenvoudigen, die zich bereiden tot de belijdenis des geloofs. Vermeerderd met een hoofdstuk van den Raad des Vredes en de uitdrukking van alle Bijbelplaatsen. 's-Gravenhage: S. van Velzen jr. (W.A. Beschoor), 1908. Uitgave van de docenten der Theologische School (De Haan, Van Velzen, Brummelkamp, De Cock). Scan op Delpher. Woord voor woord op de scan nagelezen en vergeleken met 3 andere drukken. Publiek domein. De Vries-Te Winkel, zoals in de kopieerbron (1908). De tekst is die van de druk van 1877 (vóór 1900); 1908 is dezelfde uitgave in nieuwere spelling. Over de tekst.
Uitleg om te leren en te bespreken
Het eerste hoofdstuk van Hellenbroek begint bij de vraag waar alle andere vragen op rusten: waaruit weet men dat er een God is? Het antwoord noemt twee bronnen, de natuur en de Heilige Schrift. Met de natuur bedoelt Hellenbroek alles wat God gemaakt heeft, ook de mens zelf. Dit hoofdstuk over de kennis van God laat zien wat beide bronnen ons leren en waar het verschil tussen die twee ligt.
Een kennis die God in het hart legde
Vraag 2 onderscheidt een 'inwendige of ingeschapene kennis' en een 'uitwendige of verkregene kennis'. Ingeschapen betekent aangeboren: door God in de mens gelegd. Ieder mens weet in zijn hart dat er een God is, ook als hij daar nooit over geleerd heeft. Paulus schrijft dat "hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is". Dat geldt voor alle mensen, niet alleen voor gelovigen.
Vraag 4 stelt een eerlijke tegenvraag. Er zijn toch mensen die zeggen: "Er is geen God"? Hellenbroek antwoordt dat dit 'meer een wenschen, dan een dadelijk gelooven' is. Dadelijk betekent hier werkelijk. Wie zegt dat er geen God is, wil dat graag zo hebben, omdat hij dan aan niemand rekenschap hoeft te geven. Diep van binnen spreekt het geweten een ander woord.
Wat de schepping laat zien
De tweede soort kennis haalt men 'uit de schepselen buiten ons'. Verkregen betekent: niet aangeboren, maar opgedaan door te kijken en na te denken. Psalm 19 zegt: "De hemelen vertellen Gods eer". Wie naar de sterren kijkt of naar de wisseling van dag en nacht, ziet een orde die niet vanzelf ontstaat. Vraag 6 geeft daarvoor de reden: de schepselen kunnen 'door zich zelven niet zijn noch blijven'. Daarom moeten zij door God geschapen zijn en nog steeds door Hem onderhouden worden.
Waarom de natuur niet genoeg is
Is deze kennis genoeg om zalig te worden? Het antwoord van vraag 7 is kort: neen. De reden staat in vraag 8: 'Omdat men er Christus niet uit kennen kan'. De natuur leert dat God machtig en wijs is. Zij leert ook dat de mens Hem verantwoording schuldig is, zodat de mensen volgens Romeinen 1 "niet te verontschuldigen" zijn. Over de Middelaar, Die zondaars met God verzoent, zegt de natuur niets.
Vraag 9 maakt duidelijk waarom dat zo zwaar weegt. Christus te kennen is 'juist noodig tot zaligheid'. De Heere Jezus zegt Zelf: "En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt". Zonder Hem blijft de kennis van God een kennis die aanklaagt, en geen kennis die behoudt.
Het licht van het profetische woord
Daarom wijst vraag 10 naar de Heilige Schrift. Alleen daaruit haalt men de zaligmakende kennis: de kennis die tot zaligheid leidt. Petrus noemt het profetische woord een licht, "schijnende in een duistere plaats". De natuur toont dat er een God is. De Schrift toont wie Hij is en hoe een zondaar met Hem verzoend wordt. Daarom gaat het volgende hoofdstuk over de Heilige Schrift.
Bijbelse onderbouwing
“Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.”
Dit vers staat onder vraag 3: God heeft iets van Zichzelf in het hart van ieder mens openbaar gemaakt.
“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.”
De hemelen en de wisseling van dag en nacht spreken van hun Maker, zoals vraag 5 zegt over de verkregen kennis.
“En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.”
Christus noemt het kennen van God en van Hemzelf het eeuwige leven, en daarom is de natuur alleen niet genoeg.
“En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.”
Het profetische woord is het vaste licht waaruit vraag 10 de zaligmakende kennis haalt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Om over door te praten
- Waaraan merkt u in uw eigen leven dat God Zich laat kennen in wat Hij gemaakt heeft?
- Waarom noemt Hellenbroek het zeggen dat er geen God is meer een wens dan een werkelijk geloof?
- Wat mist iemand die God alleen uit de natuur kent, en waarom is dat zo ernstig?
- Hoe kunt u het lezen van de Bijbel een vaste plaats geven, nu u weet dat alleen de Schrift Christus bekendmaakt?
Samen leren thuis
Lees als gezin Psalm 19:2-7 en kijk daarna samen naar de lucht, overdag of in de avond. Laat de kinderen vertellen wat zij zien en vraag wat dat zegt over God. Lees dan Johannes 17:3 en leer samen vraag 1 en 8 uit het hoofd. Zo wordt duidelijk dat de schepping naar God wijst, en dat de Bijbel de weg tot Hem wijst.