Ga naar hoofdinhoud
Lukas, MattheüsLukas 15:1-10; Mattheüs 18:12-14

Het verloren schaap

Een herder die zoekt, en blijdschap in de hemel over één zondaar

Samenvatting

Het verloren schaap is de gelijkenis van Jezus over een herder die één van zijn honderd schapen kwijtraakt en het zoekt tot hij het vindt, in Lukas 15:1-10 en Mattheüs 18:12-14. Jezus vertelt haar aan Farizeeën en Schriftgeleerden die mopperen omdat Hij zondaars ontvangt. Direct erna volgt de gelijkenis van de verloren penning. Beide eindigen bij de blijdschap in de hemel over één zondaar die zich bekeert.

Bijbelgedeelte

“Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?”
Lukas 15:4 (Statenvertaling)
“En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.”
Lukas 15:6 (Statenvertaling)
“Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.”
Lukas 15:7 (Statenvertaling)
“Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.”
Lukas 15:10 (Statenvertaling)
“Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.”
Mattheüs 18:14 (Statenvertaling)
“Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.”
Johannes 10:11 (Statenvertaling)

Het verhaal

De gelijkenis van het verloren schaap staat in Lukas 15, het hoofdstuk met drie gelijkenissen over wat verloren was en gevonden werd: het schaap, de penning en de zoon. Mattheüs geeft dezelfde gelijkenis in een andere samenhang (Mattheüs 18:12-14). In beide evangeliën is Jezus Zelf de verteller.

Waarom vertelde Jezus de gelijkenis van het verloren schaap?

Lukas begint bij de hoorders. Al de tollenaars en de zondaars naderden tot Jezus om Hem te horen (Lukas 15:1). Tollenaars inden tol en belasting, en zondaars waren mensen die bekendstonden om hun leven in de zonde. De Farizeeën en de Schriftgeleerden zagen het en murmureerden, dat wil zeggen: zij mopperden onder elkaar. Zij zeiden: "Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen" (Lukas 15:2). Dat verwijt had Jezus eerder gehoord, toen Hij at in het huis van de tollenaar Levi (Lukas 5:30). Op dit gemopper antwoordt Hij met een gelijkenis (Lukas 15:3). Hij spreekt dus in de eerste plaats tot de mensen die zich ergeren, niet tot de tollenaars.

Wat deed de herder toen hij een schaap kwijt was?

Jezus begint met een vraag waarop iedere hoorder het antwoord weet. Welke man onder hen, die honderd schapen heeft en er één verliest, laat de andere niet achter en gaat niet zoeken? Zo iemand "verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde" (Lukas 15:4). Het woord totdat draagt de gelijkenis. De herder zoekt niet een tijdje, om het dan op te geven. Hij houdt vol tot het schaap gevonden is.

Als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, en hij is blij (Lukas 15:5). Er staat geen verwijt aan het schaap en geen straf. De herder draagt het hele stuk terug. Thuisgekomen roept hij zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt: "Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was" (Lukas 15:6). Het is zijn eigen schaap, en het is zijn eigen blijdschap, die hij met anderen wil delen.

Waarom is er blijdschap in de hemel over één zondaar?

Dan zegt Jezus waar het Hem om gaat: "Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben" (Lukas 15:7). De gelijkenis gaat dus niet alleen over schapen. Het vinden van het schaap is het beeld van een zondaar die zich bekeert, en de vreugde van de herder is het beeld van de vreugde in de hemel. Wie die negenennegentig rechtvaardigen zijn, legt Jezus hier niet uit. Daarover leest u meer onder Betekenis.

Wat is de gelijkenis van de verloren penning?

Zonder onderbreking vertelt Jezus een tweede gelijkenis. Een vrouw heeft tien penningen en verliest er één. Zij steekt een kaars aan, veegt het huis met een bezem en zoekt naarstiglijk, dat is nauwkeurig en met inspanning, tot zij hem vindt (Lukas 15:8). Ook zij roept haar vriendinnen en buurvrouwen samen en zegt dat zij met haar blij moeten zijn, want zij heeft de penning gevonden die zij verloren had (Lukas 15:9). De toepassing is bijna gelijk aan die bij het schaap: "Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert" (Lukas 15:10).

Het verlies is nu één op tien in plaats van één op honderd. Een munt kan niets doen om gevonden te worden. Alles in deze tweede gelijkenis is het werk van de vrouw die zoekt.

Hoe vertelt Mattheüs de gelijkenis van het verloren schaap?

Bij Mattheüs vertelt Jezus de gelijkenis aan Zijn discipelen. Zij hadden gevraagd wie de meeste was in het Koninkrijk der hemelen. Jezus zette een kind in hun midden (Mattheüs 18:1-2) en waarschuwde hen om niet één van deze kleinen te verachten (Mattheüs 18:10). Dan volgt de gelijkenis. Een man heeft honderd schapen, en één is afgedwaald. Hij laat de negenennegentig achter, gaat de bergen op en zoekt het afgedwaalde. Als het gebeurt dat hij het vindt, verblijdt hij zich meer over dat ene dan over de negenennegentig die niet afgedwaald zijn (Mattheüs 18:12-13). Jezus besluit: "Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga" (Mattheüs 18:14). In Mattheüs 18 gaat het dus om de zorg voor de kleinen onder de gelovigen; in Lukas om het ontvangen van zondaars. Het beeld is hetzelfde.

Hoe gaat Lukas 15 verder na het verloren schaap?

Lukas vertelt niet hoe de Farizeeën en de Schriftgeleerden reageerden. Jezus gaat verder met een derde gelijkenis: "Een zeker mens had twee zonen" (Lukas 15:11). Dat is de gelijkenis van de verloren zoon. Daar komt de vreugde opnieuw terug, en daar staat ook een oudste zoon die toornig wordt en niet naar binnen wil gaan (Lukas 15:28). De drie gelijkenissen horen bij elkaar en beantwoorden samen het gemopper van Lukas 15:2.

Achtergrond

Schapen hoeden was in Israël gewoon werk. Herders brachten hun kudde naar open weidegrond en hielden er ook in de nacht de wacht bij, zoals de herders bij Bethlehem (Lukas 2:8). Met de woestijn in Lukas 15:4 is geen zandvlakte bedoeld, maar onbebouwd land waar de kudde graasde. Mattheüs spreekt van de bergen (Mattheüs 18:12). Honderd schapen is een flinke kudde. De tekst zegt niet of de herder hulp had of wie bij de negenennegentig bleef; dat valt buiten het beeld.

Een penning was een zilveren munt. Het Griekse woord in Lukas 15:8 is drachme, een munt die ongeveer even veel waard was als de denarie, het dagloon van een arbeider (vergelijk Mattheüs 20:2). Soms wordt gezegd dat de tien munten een bruidsschat of een hoofdsieraad waren. Dat is een latere uitleg; de tekst zegt het niet. De kaars uit de Statenvertaling was een olielampje. Veel huizen hadden weinig licht, zodat een munt op de vloer gemakkelijk zoek raakte.

Tollenaars inden tol en belasting voor de overheid, en velen rekenden meer dan zij moesten. Daarom stonden zij bekend als zondaars (vergelijk Lukas 3:12-13). De Farizeeën legden zich toe op een nauwkeurig leven naar de wet, en de Schriftgeleerden waren de leraars van de wet. Voor hen was samen eten met zondaars een teken van gemeenschap met hen, en dat vonden zij onverenigbaar met een heilig leven.

Betekenis

De gelijkenis laat in de eerste plaats zien wie God is. In Ezechiël 34 klaagt de HEERE de herders van Israël aan: "het verlorene zoekt gij niet" (Ezechiël 34:4). Daarop belooft Hij: "Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen" (Ezechiël 34:16). Wanneer Jezus tollenaars en zondaars ontvangt, doet Hij wat de HEERE beloofd had. Hij noemt Zichzelf de goede Herder Die Zijn leven stelt voor de schapen (Johannes 10:11). Bij Zacheüs zegt Hij het zonder beeld: "Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was" (Lukas 19:10).

De gelijkenis laat ook zien hoe God Zich verblijdt. De herder en de vrouw roepen anderen om mee te delen in hun vreugde. Zo is er blijdschap in de hemel en voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert. Dat is het antwoord aan de Farizeeën: zij mopperden over wat in de hemel vreugde geeft.

Het schaap komt niet zelf terug en de penning kan niets doen. Het zoeken, vinden en dragen is het werk van de herder. Toch noemt Jezus het gevonden schaap een zondaar die zich bekeert. Beide zijn waar: bekering is een werkelijk omkeren van de mens, en het is de vrucht van Gods zoeken. Petrus schrijft aan gelovigen: "Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen" (1 Petrus 2:25).

Wie zijn de negenennegentig rechtvaardigen die de bekering niet van node hebben? Daar lezen uitleggers verschillend. Velen horen er ironie in: Jezus spreekt over mensen die menen dat zij rechtvaardig zijn, zoals de Farizeeën die mopperden (vergelijk Lukas 18:9). Elders zegt Hij: "Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering" (Lukas 5:32). Anderen zien in de negenennegentig vooral een deel van het beeld, zonder dat Jezus zegt dat zulke mensen werkelijk bestaan, want "Er is niemand rechtvaardig, ook niet een" (Romeinen 3:10). In beide lezingen staat wie meent geen bekering nodig te hebben, buiten de vreugde, zoals de oudste zoon in de derde gelijkenis.

Mattheüs voegt er een eigen accent aan toe. Daar is het de wil van de Vader dat niet één van de kleinen verloren gaat (Mattheüs 18:14). Gods zorg voor wie klein en zwak is in de gemeente, bepaalt hoe de discipelen met elkaar moeten omgaan.

Lessen voor vandaag

De Heere zoekt wat verloren is, en Hij geeft het zoeken niet op voordat Hij vindt. Dat is de hoop voor ieder die weet dat hij afgedwaald is. Hij hoeft niet eerst de weg terug te vinden. Hij mag bidden zoals de dichter van Psalm 119: "Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht" (Psalm 119:176).

In de hemel is er vreugde over één zondaar. Voor God is niemand een getal in een kudde van honderd. Daarom mogen ook wij niemand verachten, ook niet wie klein, zwak of ver weg is. Mattheüs plaatst de gelijkenis juist bij de zorg voor de kleinen (Mattheüs 18:10), en die zorg is een opdracht aan de hele gemeente.

Jezus vertelde deze gelijkenis aan mensen die mopperden. Wie in de kerk is opgegroeid, kan meer op hen lijken dan op het verloren schaap. Het is goed om voor God te vragen of wij ons verblijden wanneer Hij zondaars aanneemt, of dat wij buiten blijven staan zoals de oudste zoon. Wie zichzelf herkent in het gemopper, mag weten dat de goede Herder ook voor hem gekomen is.

De herder droeg het schaap op zijn schouders naar huis. Wie gevonden is, wordt niet halverwege losgelaten. Jezus zegt over Zijn schapen: "zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Johannes 10:28).

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 5 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

Rondom de Heere Jezus waren veel mensen. Er kwamen tollenaars naar Hem toe. Een tollenaar was iemand die belasting ophaalde. Veel tollenaars vroegen meer geld dan mocht. Er kwamen ook andere zondaars, mensen die bekendstonden om hun zondige leven. Ze kwamen allemaal om naar Jezus te luisteren.

Er waren ook Farizeeën en Schriftgeleerden. De Farizeeën probeerden heel precies te leven volgens de wet van God. De Schriftgeleerden waren de leraars van die wet. Zij zagen wie er bij Jezus kwamen. Ze mopperden en zeiden: "Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen". Ze bedoelden: Jezus laat zulke mensen bij Zich komen, en Hij eet zelfs met hen.

Toen vertelde Jezus hun een gelijkenis. Een gelijkenis is een verhaal dat Jezus vertelde om iets duidelijk te maken over God.

Jezus vroeg hun wat een man zou doen die honderd schapen had en er één kwijtraakte. Het antwoord lag voor de hand. Zo iemand laat de negenennegentig andere schapen achter in de woestijn. De woestijn was hier geen zandvlakte, maar wild land waar de schapen graasden. Hij gaat op zoek naar dat ene schaap dat verloren is. En hij houdt niet op met zoeken, net zolang tot hij het vindt.

Dan vindt hij het schaap. Hij tilt het op en legt het op zijn schouders. Hij is blij. Zo draagt hij het schaap helemaal naar huis.

Thuis roept hij zijn vrienden en zijn buren bij elkaar. Hij zegt tegen hen: "Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was". Je kunt je voorstellen hoe blij hij was.

Toen zei Jezus wat Hij bedoelde. Hij zei: "Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert". Ulieden betekent: jullie. Alzo betekent: zo. Zich bekeren betekent: omkeren van de verkeerde weg en teruggaan naar God. Als één zondaar zich bekeert, is er grote blijdschap in de hemel.

Daarna vertelde Jezus nog een gelijkenis. Een vrouw had tien penningen. Een penning was een zilveren munt. Ze raakte er één kwijt. Toen stak ze een kaars aan; in die tijd was dat een lampje met olie. Ze veegde het hele huis met een bezem. Ze zocht heel goed, net zolang tot ze de penning vond. Toen riep ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar. Ze zei dat ze met haar blij moesten zijn, want ze had de penning gevonden. Jezus zei: "Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert". De engelen zijn bij God in de hemel.

Hoe reageerden de Farizeeën en de Schriftgeleerden? Dat schrijft de Bijbel niet. Jezus vertelde hun daarna nog een derde gelijkenis, over een vader en zijn twee zonen.

Ook Mattheüs heeft de gelijkenis van het verloren schaap opgeschreven. Bij hem vertelt Jezus haar aan Zijn discipelen. Eerder had Hij een kind in hun midden gezet. Hij zei dat ze niet één van de kleinen mochten verachten. Verachten is: op iemand neerkijken. Daarna vertelde Jezus over de man die zijn afgedwaalde schaap zocht op de bergen. Hij zei: "Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga". De Vader in de hemel wil niet dat er één van deze kleinen verloren gaat.

Zo eindigt deze geschiedenis. De Heere Jezus is Zelf als die herder. Hij is gekomen om te zoeken wat verloren is, en in de hemel is er blijdschap over iedere zondaar die zich bekeert.

Om te onthouden
“Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.” (Lukas 15:10)

Tips voor de verteller

  • De Bijbel vertelt niet hoe het schaap verdwaalde. Voeg daarom geen doornstruik, wolf, onweer of donkere nacht toe, en maak het schaap niet ongehoorzaam of stout. Het verhaal over de herder die de poot van het schaap brak, staat niet in de Bijbel. Houd het zwaartepunt waar Jezus het legt: bij het zoeken en bij de blijdschap.
  • Een kind kan vragen wie er op de negenennegentig schapen paste. Zeg eerlijk dat de Bijbel dat niet vertelt. Jezus wil met de gelijkenis niet uitleggen hoe een goede herder zijn werk regelt, maar laten zien hoeveel dat ene schaap voor hem waard is. Maak van de negenennegentig ook niet de brave kinderen tegenover de stoute.
  • Leg de woorden tollenaar, Farizeeër, mopperen, gelijkenis, penning en zich bekeren kort uit. Vertel voor kinderen van 4-7 jaar alleen de herder en het schaap, en laat de penning en het stuk uit Mattheüs weg. Lees daarna Lukas 15:4-7 uit de Bijbel zelf voor.
  • Bedenk dat Jezus deze gelijkenis vertelde aan mensen die mopperden over zondaars. U kunt met oudere kinderen open laten wie wij in de geschiedenis zijn: het schaap dat gezocht wordt, of de mopperaars. Wijs in beide gevallen naar de Heere Jezus, Die zoekt wat verloren is.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenHoeveel schapen had de herder, en hoeveel raakte hij kwijt?
  2. NavertellenWat deed de herder toen hij het schaap gevonden had?
  3. VerwonderenWaarover zijn ze in de hemel bij God zo blij?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenWie kwamen er naar Jezus toe om Hem te horen, en wie mopperden daarover?
  2. BetekenisWaarom vertelde Jezus deze gelijkenis aan de mensen die mopperden? Wat wilde Hij hun over God laten zien?
  3. VerbindingIn Lukas 19:10 zegt Jezus dat Hij gekomen is om te zoeken wat verloren is. Bij wie zei Hij dat?
  4. ToepassingWat betekent het voor jou dat de Heere Jezus mensen zoekt die verloren zijn?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Ezechiël 34:11-16. Wat belooft de HEERE daar over Zijn schapen, en hoe zie je die belofte terug in Lukas 15?
  2. Wie is God?Jezus zegt dat er blijdschap is in de hemel over één zondaar die zich bekeert. Wat leert dat over het hart van God?
  3. Moeilijke vraagWie zijn de negenennegentig rechtvaardigen die de bekering niet nodig hebben? Bestaan die echt, of bedoelt Jezus iets anders? Betrek Lukas 5:31-32 erbij.
  4. PersoonlijkIn welke groep uit Lukas 15:1-2 zou jij hebben gestaan? Wat zegt deze gelijkenis dan tegen jou?

Gebedspunt: Dank de Heere Jezus dat Hij de goede Herder is, Die zoekt wat verloren is. Bid om een hart dat zich bekeert en dat zich mee verblijdt wanneer anderen gevonden worden.

Personen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

Gods zoekende liefdebekeringblijdschap in de hemelde goede Herderzondaars aangenomen

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over Het verloren schaap

Waar staat het verhaal van het verloren schaap in de Bijbel?

De gelijkenis van het verloren schaap staat in Lukas 15:3-7 en in Mattheüs 18:12-14. In Lukas is zij het antwoord van Jezus aan de Farizeeën en Schriftgeleerden die mopperden: "Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen" (Lukas 15:2). Direct erna volgen de verloren penning (Lukas 15:8-10) en de verloren zoon (Lukas 15:11-32). In Mattheüs vertelt Jezus de gelijkenis aan Zijn discipelen, als onderwijs over de kleinen. Markus en Johannes hebben haar niet.

Wat betekent de gelijkenis van het verloren schaap?

Jezus legt het zelf uit: "Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert" (Lukas 15:7). De herder die zoekt tot hij vindt, laat zien hoe God verloren zondaars zoekt. De blijdschap van de herder is een beeld van de vreugde in de hemel. Omdat Jezus deze gelijkenis vertelt aan mensen die mopperen dat Hij zondaars ontvangt, is zij ook een vraag aan hen: delen zij in die vreugde of niet?

Wie is de herder in de gelijkenis van het verloren schaap?

In de gelijkenis zelf is de herder een gewone man met honderd schapen. Maar Jezus vertelt haar om uit te leggen waarom Hij zondaars ontvangt. Daarmee wijst de herder naar Hem. Jezus noemt Zichzelf elders "de goede Herder" Die Zijn leven stelt voor de schapen (Johannes 10:11). In het Oude Testament belooft de HEERE: "Het verlorene zal Ik zoeken" (Ezechiël 34:16). In het zoeken van Jezus doet God wat Hij beloofd had.

Wie zijn de negenennegentig rechtvaardigen in Lukas 15:7?

Daarover denken uitleggers verschillend. Velen horen ironie: Jezus spreekt over mensen die menen dat zij rechtvaardig zijn en geen bekering nodig hebben, zoals de Farizeeën die mopperden (vergelijk Lukas 18:9). Anderen zien de negenennegentig vooral als deel van het beeld, zonder dat Jezus zegt dat zulke mensen echt bestaan, want "Er is niemand rechtvaardig, ook niet een" (Romeinen 3:10). In beide lezingen blijft wie meent geen bekering nodig te hebben, buiten de vreugde staan.

Brak de herder de poot van het verloren schaap?

Nee, dat staat niet in de Bijbel. Het verhaal dat een herder de poot van een afdwalend schaap brak en het daarna droeg tot het genezen was, wordt soms in preken en kinderboeken verteld. Het komt niet uit Lukas 15 of Mattheüs 18, en er is geen betrouwbare bron die laat zien dat herders in Israël dat deden. De tekst zegt alleen dat de herder het schaap op zijn schouders legde en blij was (Lukas 15:5). Er staat geen straf in de gelijkenis.

Liet de herder de negenennegentig schapen onbeschermd achter?

De Bijbel zegt het niet. Lukas schrijft dat de herder de negenennegentig "in de woestijn" achterliet, dat is open weidegrond (Lukas 15:4); Mattheüs spreekt van de bergen (Mattheüs 18:12). Of er iemand bij hen bleef, valt buiten de gelijkenis. Jezus wil niet uitleggen hoe een herder zijn kudde moet regelen. Hij laat zien hoeveel dat ene verloren schaap waard is, zo veel dat de herder alles opzij zet om het te zoeken.

Hoeveel was de verloren penning waard?

De penning in Lukas 15:8 is in het Grieks een drachme, een zilveren munt. Die was ongeveer even veel waard als een denarie, en een denarie was het dagloon van een arbeider (vergelijk Mattheüs 20:2). Voor een vrouw met tien penningen was één penning dus een merkbaar verlies. Dat de tien munten een bruidsschat of een hoofdsieraad waren, is een latere uitleg die de tekst niet geeft. Jezus legt de nadruk op het zoeken en de blijdschap.

Hoe hangen het verloren schaap, de penning en de verloren zoon samen?

De drie gelijkenissen staan achter elkaar in Lukas 15 en beantwoorden samen het gemopper van de Farizeeën en Schriftgeleerden (Lukas 15:2). Steeds raakt er iets verloren, wordt het gevonden en volgt er blijdschap. Het verlies wordt groter: één schaap van honderd, één penning van tien, één zoon van twee. In de derde gelijkenis komt er een oudste zoon bij die niet wil meedelen in de vreugde (Lukas 15:28). Hij lijkt op de mensen die mopperden.

Bekeert het verloren schaap zichzelf?

In de gelijkenis doet het schaap niets: de herder zoekt, vindt en draagt. Toch noemt Jezus het gevonden schaap een zondaar die zich bekeert (Lukas 15:7). Beide zijn waar. Bekering is een werkelijk omkeren van de mens, met berouw over de zonde en een terugkeer naar God. Maar het begint niet bij de mens. Petrus schrijft: "Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen" (1 Petrus 2:25).

Wat is het verschil tussen het verloren schaap in Lukas en in Mattheüs?

Het verschil zit vooral in de hoorders en de toepassing. In Lukas 15 spreekt Jezus tot Farizeeën en Schriftgeleerden die mopperen omdat Hij zondaars ontvangt, en Hij eindigt bij de blijdschap in de hemel over een zondaar die zich bekeert. In Mattheüs 18 spreekt Hij tot Zijn discipelen en gaat het om de kleinen. Ook de woorden verschillen. Lukas spreekt van een schaap dat verloren is en van de woestijn, Mattheüs van een schaap dat afgedwaald is en van de bergen. Alleen Lukas noemt de vrienden en buren die de herder thuis bij elkaar roept.

Hoe vertelt u het verloren schaap aan kinderen?

Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar. Begin bij de tollenaars en zondaars die naar Jezus kwamen, en bij het gemopper van de Farizeeën. Laat dan de herder zoeken tot hij vindt, en eindig bij de blijdschap in de hemel. Voeg geen wolf, onweer of gebroken poot toe; de Bijbel geeft ze niet. Voor kinderen van 4-7 jaar kunt u zich beperken tot het schaap. De gespreksvragen zijn ingedeeld voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar.

Stel een vraag over Het verloren schaap

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder