Het Schrijven van de Boekrol (vers 1-8)
Jeremia 36 begint in het vierde regeringsjaar van koning Jojakim (605 v.Chr.), een cruciale periode vlak voor de Babylonische ballingschap. God geeft Jeremia een bijzondere opdracht: alle profetieën die Hij vanaf het begin van Jeremia's roeping heeft gegeven, moeten worden opgeschreven in een boekrol.
De reden voor dit schrijfwerk is helder: "Misschien zal het volk van Juda, als zij horen van al het onheil dat Ik over hen denk te brengen, zich bekeren van hun boze weg" (vers 3). Gods hart toont hier Zijn barmhartigheid - Hij wil het volk nog één kans geven om zich te bekeren door Zijn woorden permanent vast te leggen.
Jeremia roept zijn trouwe schrijver Baruch op om de woorden op te schrijven. Baruch, wiens naam 'gezegend' betekent, wordt een sleutelfiguur in dit verhaal. Hij schrijft alles op wat Jeremia hem dicteert, waarbij de profeet letterlijk 'uit zijn mond' spreekt - een indicatie dat dit rechtstreeks van God komt.
De Voorlezing in de Tempel (vers 9-19)
Omdat Jeremia 'gevangen gehouden' wordt en niet naar de tempel kan gaan, stuurt hij Baruch om de woorden voor te lezen tijdens een vastendag. Deze openbare voorlezing trekt veel aandacht. De woorden zijn zo krachtig dat Michaja, zoon van Gemarja, onmiddellijk naar de vorsten gaat om te rapporteren wat hij heeft gehoord.