Wie aan slavernij denkt, ziet slavenschepen voor zich, plantages in Suriname en op Curaçao, en de herdenking van Keti Koti op 1 juli. Dat christenen daaraan meededen en zich daarbij op de Bijbel beriepen, is voor veel mensen een reden om het christelijk geloof te wantrouwen. Die vraag verdient een eerlijk antwoord. Hieronder leest u wat de wet van Mozes en de apostel Paulus werkelijk zeggen, hoe teksten misbruikt zijn, ook in Nederland, en waarom christenen tegen de slavernij streden.
Wat zegt de Bijbel over slavernij in Israël?
De Statenvertaling spreekt meestal van knecht of dienstknecht, en in Leviticus 25 ook van slaaf. In Israël kwam iemand vooral door armoede in dienst: wie verarmd was, verkocht zichzelf aan een volksgenoot, en die mocht hem niet laten dienen als een slaaf (Leviticus 25:39). Dat was schuldslavernij, met een vaste grens. Een Hebreeuwse knecht diende zes jaar en ging in het zevende jaar vrij uit (Exodus 21:2). Hij mocht dan niet met lege handen vertrekken; zijn heer moest hem rijkelijk meegeven van kudde, dorsvloer en wijnpers (Deuteronomium 15:12-14). De reden staat erbij: 'En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft' (Deuteronomium 15:15).
De wet beschermde de knecht ook. Wie zijn knecht een oog of een tand uitsloeg, moest hem vrijlaten (Exodus 21:26-27), en wie zijn knecht doodsloeg, werd gestraft (Exodus 21:20). Een knecht die van zijn heer naar Israël gevlucht was, mocht niet aan hem worden uitgeleverd; hij mocht wonen waar hij wilde en niemand mocht hem verdrukken (Deuteronomium 23:15-16). Het Wetboek van Hammurabi (artikelen 15 en 16) stelde juist de doodstraf op het helpen van een gevluchte slaaf.
Mensenroof, de bron van de latere slavenhandel, was in Israël een halsmisdaad: 'zo wie een mens steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden' (Exodus 21:16). In de uitleg van Exodus 21 leest u het hele hoofdstuk in zijn verband.
Waarom schafte de wet van Mozes slavernij niet af?
Er staan ook harde teksten in de wet, en die mag u niet worden onthouden. Israël mocht slaven kopen uit de volken rondom, en die bleven hun leven lang in dienst (Leviticus 25:44-46). Bij een knecht die na een slag nog een dag of twee leefde, volgde geen straf, met als reden dat hij het geld van zijn heer was (Exodus 21:21). Dat leest niemand zonder schrik.
De burgerlijke wetten die God aan Israël gaf, maakten van Israël geen volmaakte samenleving. Zij gaven regels in een wereld waarin slavernij overal bestond, en begrensden zo een kwaad dat er al was. De Heere Jezus zei iets vergelijkbaars over de echtscheiding: Mozes liet die toe vanwege de hardheid van hun harten, maar van den beginne was het zo niet (Mattheüs 19:8). Van den beginne is de mens geschapen naar Gods beeld (Genesis 1:27), en Job wist al dat zijn knecht door dezelfde Schepper in de moederschoot was gemaakt als hijzelf (Job 31:13-15). Hoe zulke wetten zich verhouden tot Gods liefde, komt ook aan de orde bij de vraag naar tegenstrijdigheden in de Bijbel.
Wat schreef Paulus over slaven en heren?
In het Romeinse Rijk waren slaven overal: in huishoudens, op landgoederen en in mijnen. Veel van de eerste christenen waren slaaf. Paulus riep niet op tot een opstand; slavenopstanden werden in die tijd bloedig neergeslagen. Hij riep de dienstknechten op hun heren gehoorzaam te zijn, als dienden zij Christus (Efeze 6:5-6); juist die woorden zijn later misbruikt. Wel schreef hij aan de slaaf die tot geloof kwam: 'indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever' (1 Korinthe 7:21). En aan allen: wordt geen dienstknechten der mensen, want u bent duur gekocht (1 Korinthe 7:23). De heren kregen te horen dat zij zelf een Heere in de hemel hebben, bij Wie geen aanneming des persoons is (Efeze 6:9; Kolossenzen 4:1).
In de gemeente viel de grens tussen slaaf en vrije weg: 'Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus' (Galaten 3:28). Hoe dat er in de praktijk uitzag, ziet u in de brief aan Filemon. Onesimus was bij zijn heer weggelopen en tot geloof gekomen. Paulus stuurde hem terug, en dat stoort lezers vandaag. Maar hij vroeg Filemon hem te ontvangen 'meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder' (Filemon 1:16), ja, als Paulus zelf (Filemon 1:17). Hij schreef erbij dat Filemon meer zou doen dan gevraagd werd (Filemon 1:21); veel uitleggers lezen daarin een verzoek om vrijlating. In de bijbelstudie over Filemon kunt u die brief vers voor vers lezen.
Wie mensen rooft en verhandelt, noemt Paulus in één adem met moordenaars: de wet is gezet tegen 'den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen' (1 Timotheüs 1:10).
Slavernij en christendom: hoe werd de Bijbel misbruikt?
De trans-Atlantische slavenhandel rustte op wat de Bijbel verbiedt: mensen roven en verkopen. Toch hebben christenen hem eeuwenlang verdedigd, ook in Nederland. Nederlandse handelaars brachten honderdduizenden Afrikanen over de oceaan naar Suriname, de Antillen en Brazilië, en ook kerkleden bezaten plantages en slaven.
Een veelgebruikte tekst was de vloek van Noach: 'Vervloekt zij Kanaan' (Genesis 9:25). Men las die alsof God de nakomelingen van Cham, en zo de volken van Afrika, voor altijd tot slavernij bestemd had. De tekst spreekt over Kanaan en zegt niets over Afrika of over huidskleur. In Engeland verscheen in 1807 voor de slaven in West-Indië een ingekorte bijbel, waaruit onder meer de uittocht uit Egypte was weggelaten; de verlossing uit het diensthuis mocht men daar kennelijk niet lezen.
Dit was zonde, en die wordt niet kleiner doordat anderen hetzelfde deden. Pas op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname en op de Antillen af, later dan Engeland en Frankrijk. De eigenaren kregen een schadevergoeding, de vrijgemaakten niets, en in Suriname moesten zij nog tien jaar onder staatstoezicht werken. In 2022 bood de Nederlandse regering excuses aan, in 2023 ook de koning.
Waarom streden christenen tegen slavernij?
De strijd tegen de slavernij werd voor een groot deel door christenen gevoerd, met de Bijbel in de hand. Quakers sloten al in de achttiende eeuw slavenhandelaars uit hun gemeenschap uit. John Newton voer als kapitein op slavenschepen, ook nog na zijn bekering. Later schreef hij het lied Amazing Grace, en pas in 1788, decennia na zijn laatste reis, het pamflet Thoughts upon the African Slave Trade tegen de handel waaraan hij had verdiend. Ook een bekeerd christen kan lang blind zijn voor zonde. Zijn vriend William Wilberforce streed twintig jaar in het Britse parlement, tot de slavenhandel in 1807 werd verboden; in 1833 volgde de wet die de slavernij in de Britse koloniën afschafte.
Hun argumenten kwamen uit de Schrift: elk mens is geschapen naar Gods beeld (Genesis 1:27), God heeft uit één bloed het hele menselijk geslacht gemaakt (Handelingen 17:26), en mensenroof is een misdaad (Exodus 21:16). Het bekende embleem van de Britse beweging, een geknielde man in ketens met de woorden Am I not a man and a brother?, klinkt als een echo van de brief aan Filemon. Wat de Bijbel zegt over de gelijkwaardigheid van alle volken, leest u bij racisme in het licht van de Bijbel.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 110) noemt de kerk diefstal alles waarmee wij het goed van onze naaste aan ons trekken, 'hetzij met geweld of schijn des rechts'. Wie een mens steelt, steelt het kostbaarste wat een naaste heeft: zichzelf. En wie dat met een bijbeltekst goedpraat, doet het onder schijn des rechts. Vraag 111 noemt wat God in dit gebod gebiedt: dat ik met mijn naaste zo handel als ik wilde dat men met mij handelde.
De Grote Catechismus van Westminster (vraag 142) noemt mensenroof uitdrukkelijk onder de zonden tegen het achtste gebod, met een verwijzing naar 1 Timotheüs 1:10.
Als deze vraag u persoonlijk raakt
Stamt u zelf af van mensen die tot slaaf gemaakt zijn, of draagt u de naam van een familie die aan slavernij verdiende? Dan is dit geen geschiedenisles. De God van de Bijbel is Dezelfde Die tegen Mozes zei: 'Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks' (Exodus 3:7). Hij zag ook het lijden op de plantages, en Hij vergeet het niet.
Draagt u de naam van een familie die eraan verdiende? De Schrift zegt dat de zoon de ongerechtigheid van de vader niet draagt (Ezechiël 18:20). Wel kunt u die zonde eerlijk belijden, zoals Daniël dat deed voor zijn volk (Daniël 9:5), en het gesprek met nazaten zoeken. Wie zijn zonden belijdt, vindt bij God vergeving (1 Johannes 1:9).
Twijfelt u aan het geloof omdat christenen zo gefaald hebben? Het oordeel over dat falen staat in de Bijbel zelf. De Heere Jezus kwam om de verslagenen heen te zenden in vrijheid (Lukas 4:19), en in Hem zijn heer en knecht broeders. Lees ook wat de Bijbel bedoelt met vrijheid in Christus. Spreek erover met uw predikant of ouderling, of met broeders en zusters met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond, voor wie deze vragen geen afstandelijke geschiedenis zijn. Slavernij bestaat ook nu nog, als mensenhandel en uitbuiting. Bent u er zelf slachtoffer van, of hebt u een vermoeden, meld het dan bij de politie (bij direct gevaar 112) of anoniem bij Meld Misdaad Anoniem, 0800-7000.
'Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn' (Johannes 8:36)