Wie de Bijbel openslaat, leest Nederlands. Toch schreven Mozes, de profeten en de apostelen geen woord in onze taal. God sprak Zijn Woord in de talen van de mensen tot wie Hij het eerst kwam: Israël in het land Kanaän, en later de volken rondom de Middellandse Zee. Hier leest u welke talen dat waren, waar in de Bijbel de taal wisselt, welke taal de Heere Jezus sprak en wat dat betekent voor wie de Bijbel nu in vertaling leest.
In welke taal is de Bijbel geschreven?
De Bijbel is in drie talen geschreven, verspreid over zo'n vijftien eeuwen. Hoe die eeuwen lopen, leest u bij de vraag hoe oud de Bijbel is. De verdeling over de talen is eenvoudig:
- Hebreeuws: het grootste deel van het Oude Testament, van Genesis tot Maleachi. Het is de taal van Israël, waarin God Zijn wet, Zijn psalmen en Zijn beloften gaf.
- Aramees: enkele hoofdstukken in Ezra en Daniël, één vers in Jeremia en twee woorden in Genesis.
- Grieks: het hele Nieuwe Testament, van Mattheüs tot Openbaring.
Paulus schrijft dat aan de Joden 'de Woorden Gods zijn toebetrouwd' (Romeinen 3:2). Die woorden kwamen in het Hebreeuws tot Israël, en Israël heeft ze eeuwenlang overgeschreven en bewaard. Hoe nauw de Heere het met Zijn Woord neemt, blijkt uit wat de Heere Jezus over de wet zegt: 'zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan' (Mattheüs 5:18). De jota staat voor de kleinste letter van het Hebreeuwse alfabet; met de tittel wordt een klein haakje aan een letter bedoeld.
Waar staat Aramees in het Oude Testament?
Aramees is een zustertaal van het Hebreeuws. In de tijd van de Assyriërs en de Perzen was het de taal van de diplomatie en van de rijksadministratie. Al in de dagen van koning Hizkia vroegen zijn hovelingen aan de Assyrische gezant: 'Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel' (2 Koningen 18:26). Het volk op de muur mocht het niet verstaan, want dat sprak het Joods, het Hebreeuws van Juda. Na de ballingschap kwam het Hebreeuws onder druk te staan. Nehemia klaagde dat kinderen uit gemengde huwelijken half Asdodisch spraken en geen Joods meer konden spreken (Nehemia 13:24).
De Statenvertaling noemt het Aramees steeds Syrisch. Met dat woord geeft Daniël 2 ook de overgang aan. De Chaldeeën spraken 'tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid' (Daniël 2:4). Vanaf daar gaat de grondtekst in het Aramees verder, tot aan het einde van Daniël 7. Het verband van de koningsdroom leest u in de uitleg van Daniël 2. In Ezra gebeurt iets vergelijkbaars. Een brief aan de Perzische koning was 'in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd' (Ezra 4:7), en de tekst van Ezra 4:8 tot 6:18 en van 7:12 tot 7:26 is Aramees. Daarbij komen Jeremia 10:11, een zin die Israël tegen de afgodendienaars moest zeggen, en de naam Jegar-Sahadutha die Laban aan de steenhoop gaf, waar Jakob het Hebreeuwse Gilead gebruikte (Genesis 31:47).
In Ezra gaat het vooral om ambtelijke brieven en oorkonden van het Perzische hof. Bij Daniël wijzen veel uitleggers erop dat juist de gedeelten over de wereldrijken en hun koningen in de rijkstaal van die tijd staan: de God van Israël spreekt ook over de koninkrijken van deze wereld, en Hij doet dat in hun eigen taal.
Waarom is het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven?
Na de veroveringen van Alexander de Grote, in de vierde eeuw voor Christus, werd Grieks de omgangstaal van het hele oosten van de Middellandse Zee. Het ging om het gewone Grieks van markt en handel, het koine-Grieks, en minder om het klassieke Grieks van dichters en filosofen. Joden in Alexandrië begonnen al in de derde eeuw voor Christus, met de vijf boeken van Mozes, het Oude Testament in het Grieks te vertalen; die vertaling heet de Septuaginta.
De talen van die wereld stonden zelfs boven het kruis. Pilatus liet een opschrift maken, 'en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn' (Johannes 19:20). Hebreeuws voor de Joden, Grieks voor ieder die van elders kwam, Latijn als taal van Rome. Wie daar langsliep, kon lezen wie daar hing (Lukas 23:38).
Omdat de apostelen in het Grieks schreven, kon het evangelie zonder vertaling gelezen worden van Jeruzalem tot Rome. Paulus schreef in het Grieks aan de gemeente in Rome, en ook zijn brieven aan de gemeenten in Klein-Azië en Griekenland konden alle leden verstaan.
Welke taal sprak Jezus?
De Heere Jezus groeide op in Nazareth in Galilea. De dagelijkse taal van de Joden in het land was toen het Aramees. Dat horen wij in de evangeliën terug, want Markus bewaart enkele woorden van de Heere in die taal en vertaalt ze erbij. Bij het dochtertje van Jaïrus zei Hij: 'Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op' (Markus 5:41). Zo ook Effatha bij de dove man (Markus 7:34), Abba in Gethsemane (Markus 14:36) en de roep aan het kruis, Eloi, Eloi, lamma sabachtani (Markus 15:34). Ook Petrus viel op door zijn Galilese spraak (Mattheüs 26:73).
Daarnaast kende de Heere Jezus het Hebreeuws van de Schriften. In de synagoge van Nazareth werd Hem het boek van de profeet Jesaja gegeven en Hij las daaruit voor (Lukas 4:16-17). Of Hij ook Grieks sprak, bijvoorbeeld met Pilatus, vermeldt de Bijbel niet. Wat wel vaststaat: de eeuwige Zoon van God werd een echt mens, met de taal, de streek en de tongval van Zijn volk.
Wat betekent de oorspronkelijke taal van de Bijbel voor ons?
God heeft Zijn Woord niet opgesloten in drie oude talen. Op de Pinksterdag hoorden Joden en proselieten uit vele landen de apostelen spreken, en zij vroegen verbaasd: 'hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?' (Handelingen 2:8). Wat zij hoorden, waren de grote werken Gods: wat God in Christus gedaan heeft. Die boodschap is bestemd voor mensen uit alle naties, geslachten, volken en talen (Openbaring 7:9).
Daarom hebben christenen de Schrift altijd vertaald. In de Nederlanden besloot de synode van Dordrecht in 1618-1619 tot een nieuwe vertaling, rechtstreeks uit het Hebreeuws, het Aramees en het Grieks. Zo ontstond de Statenvertaling, die in 1637 verscheen. De vertalers bleven dicht bij de woorden en de zinsbouw van de grondtekst, en in de kanttekeningen lichtten zij moeilijke woorden uit de grondtalen toe.
Wie zelf wil zien welk Hebreeuws of Grieks woord er staat, hoeft die talen niet eerst te leren. Hoe dat met interlineaire uitgaven en Strongnummers gaat, leest u in het artikel over de grondtekst van de Bijbel online. U kunt ook een woordstudie bij een bijbeltekst doen. Toch is kennis van de grondtaal geen voorwaarde om God te kennen. Een getrouwe vertaling geeft Gods Woord echt door, en de Heilige Geest gebruikt dat Woord in elke taal.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenisgeschriften noemen de talen van de Bijbel niet bij name, maar spreken wel over hoe Gods Woord op schrift kwam. Artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat dit Woord niet door de wil van een mens is voortgebracht: heilige mensen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest (2 Petrus 1:21). Daarna heeft God uit bijzondere zorg voor ons en onze zaligheid Zijn knechten, de profeten en apostelen, bevolen Zijn geopenbaarde Woord op te schrijven. Zo mogen wij ook de talen zien waarin zij schreven: God sprak in het Hebreeuws, het Aramees en het Grieks, de talen van hen die Zijn Woord als eersten moesten horen.
De Westminster Confessie, de belijdenis van de presbyteriaanse kerken en geen deel van de Drie Formulieren van Enigheid, zegt het met zoveel woorden in hoofdstuk 1, artikel 8. Het Oude Testament in het Hebreeuws en het Nieuwe in het Grieks zijn rechtstreeks door God ingegeven en door Zijn zorg zuiver bewaard; bij elk geschil gaat de kerk daarop terug. Omdat niet ieder volk die talen kent, moet de Schrift vertaald worden in de taal van elk volk waar zij komt, zodat Gods Woord rijk onder allen woont (Kolossenzen 3:16).
'wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken' (Handelingen 2:11)