Betekenis verschoven
Weldadigheid
zelfstandig naamwoord
In het kort
Weldadigheid betekent in de Statenvertaling goedheid die iemand uit trouw en gunst bewijst: weldoen aan een ander, vaak omdat men aan hem verbonden is. Het gaat over God, Die groot is van weldadigheid, en over mensen die elkaar trouw blijven.
In hedendaags Nederlands: trouwe goedheid, gunst, goedgunstigheid, weldoen
Wat betekent weldadigheid?
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft als eerste betekenis de neiging om goedheid en welwillendheid tegenover iemand te tonen door vriendelijkheid en gunsten. Het noemt daarbij uitdrukkelijk goedertierenheid als synoniem, en zegt dat het woord in de aangehaalde teksten vaak Gods houding tegenover de mens beschrijft. Die betekenis noemt het WNT verouderd, en het citeert 2 Kronieken 7:3 uit de Statenvertaling. Het meervoud weldadigheden zijn de daden of blijken van die goedheid, zoals in Nehemia 13:14. Pas als derde betekenis geeft het WNT de liefdadigheid: wel doen aan armen en behoeftigen door milde gaven. Weldadig is volgens het WNT gevormd van weldaad, en weldadigheid weer van weldadig.
Niet wat u nu denkt
Wie nu weldadigheid hoort, denkt aan liefdadigheid: geld of goederen geven aan arme mensen. Weldadig betekent nu vaak ook heilzaam of aangenaam, zoals een weldadige rust. In de Statenvertaling is weldadigheid meestal iets anders: trouwe goedheid tussen mensen die aan elkaar verbonden zijn, of de gunst van God voor Zijn volk. Ruth bewijst weldadigheid aan haar overleden man en aan Naomi, David aan het huis van Jonathan. Alleen in Hebreeën 13:16 en 1 Timotheüs 6:18 komt het dicht bij het geven aan anderen.
Weldadigheid in de Statenvertaling
88 keer, in 83 verzen en 27 bijbelboeken (weldadigheid 79, weldadigheden 6, weldadig 1, weldadige 2).
De vormen staan 88 keer in de Statenvertaling, in 83 verzen verdeeld over 27 bijbelboeken. De meeste plaatsen vindt u in Genesis en 2 Samuel, daarna in de Psalmen. Vaak is weldadigheid iets wat iemand doet: weldadigheid doen bij of aan iemand. De knecht van Abraham bidt bij de bron: 'doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer' (Genesis 24:12). Rachab vraagt de verspieders in Jozua 2:12 om weldadigheid aan haar familie, omdat zij hun weldadigheid gedaan heeft.
Het woord hoort bij trouw en verbond. Jonathan vraagt David in 1 Samuel 20 om de weldadigheid des HEEREN aan hem en zijn huis te bewijzen. Jaren later zoekt koning David iemand van het huis van Saul, 'dat ik Gods weldadigheid bij hem doe' (2 Samuel 9:3), en hij vindt Mefiboseth, de verlamde zoon van Jonathan. In het boek Ruth staat het woord drie keer, in de mond van Naomi en van Boaz.
Van God zegt de Statenvertaling dat Hij groot is van weldadigheid en waarheid (Exodus 34:6) en dat Hij de weldadigheid bewaart aan vele duizenden. De profeten vragen dezelfde weldadigheid van het volk. 'Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer' (Hosea 6:6), en Micha noemt weldadigheid liefhebben als een van de drie dingen die de HEERE van de mens vraagt. In Lukas 22:25 betekent weldadige heren een eretitel van koningen.
Verzen met weldadigheid
“En hij zeide: Gezegend zijt gij den HEERE, mijn dochter! Gij hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.”
Boaz prijst Ruth om haar weldadigheid. De eerste was haar trouw aan Naomi; de laatste, nog betere, is dat zij geen jongere man is nagegaan maar de lossing in de familie zoekt.
“En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?”
David wil weldadigheid doen om de wil van Jonathan, zijn overleden vriend. Het is geen aalmoes maar trouw aan een verbond: Mefiboseth krijgt de akkers van Saul terug en eet voortaan aan de tafel van de koning.
“Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.”
God heeft meer lust in weldadigheid dan in offers. Volgens de kanttekening mag het volk zich niet beroemen op zijn offers, want God heeft duidelijk gemaakt wat Hij werkelijk vraagt.
“En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.”
Hier komt weldadigheid dicht bij het geven aan anderen. Weldadigheid en mededeelzaamheid zijn offers waarin God een welbehagen heeft, al verdient niemand er iets mee.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij 1 Samuel 20:14
de weldadigheid des HEEREN. Dat is, een goeddadigheid, die den Heere aangenaam is; of, hij verstaat de vriendschap en trouw, die zij elkander voor den Heere gezworen hadden.
De vertalers geven twee verklaringen. Het kan gaan om een goeddadigheid die de Heere aangenaam is, of om de vriendschap en trouw die Jonathan en David elkaar voor de Heere gezworen hadden. Weldadigheid is hier trouw aan een gezworen vriendschap.
Bij Lukas 22:25
weldadige heren genaamd. Of, gelijk men nu spreekt, genadige heren; dat is, hun worden grote titels toegeschreven.
Bij de koningen van de volken zeggen de kanttekeningen dat men ze in hun tijd genadige heren noemde. Weldadig is hier een titel: grote namen die heersers zich laten geven. Christus zegt dat het onder Zijn discipelen niet zo moet zijn.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
חֵסֵד chesed (Hebreeuws, H2617)
Achter weldadigheid staat in deze verzen het Hebreeuwse chesed, dat het Strong's-lexicon weergeeft met goedheid, vriendelijkheid en trouw. In de Psalmen vertaalt de Statenvertaling hetzelfde woord meestal met goedertierenheid. Beide Nederlandse woorden wijzen dus op dezelfde trouwe liefde.
Onder meer in Exodus 34:6, Ruth 3:10, 2 Samuel 9:1 en Hosea 6:6. Woordstudie bij H2617 (na inloggen).
εὐεργέτης euergetes (Grieks, G2110)
Het Griekse euergetes is volgens het Strong's-lexicon samengesteld uit eu, goed, en een woord voor werk: een weldoener. Het was een titel die vorsten zich lieten geven. De Statenvertaling geeft het weer met weldadige heren.
Onder meer in Lukas 22:25. Woordstudie bij G2110 (na inloggen).
εὐποιΐα eupoiia (Grieks, G2140)
Het woord in Hebreeën 13:16 is eupoiia, volgens het lexicon gevormd uit eu, goed, en poieo, doen: weldoen. Hier betekent weldadigheid dus werkelijk goed doen aan anderen, naast het mededelen van wat men heeft.
Onder meer in Hebreeën 13:16. Woordstudie bij G2140 (na inloggen).
Verwante woorden
- goedertierenheid: Vertaalt vaak hetzelfde Hebreeuwse woord; het WNT noemt beide woorden als synoniemen.
- weldaad: Eén goede daad; volgens Spreuken 19:17 zal de HEERE de weldaad vergelden aan wie zich over de arme ontfermt.
- weldadigheden: Het meervoud: de blijken van goedheid, zoals de weldadigheden van David in Jesaja 55:3.
- trouw: Staat vaak direct naast weldadigheid, zoals in Genesis 24:49 en Spreuken 14:22.
- ontfermen: Medelijden dat helpt; Spreuken 19:17 noemt het in één adem met weldaad.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M085166. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M085165. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij 1 Samuel 20:14, Hosea 6:6, Ruth 3:10 en Lukas 22:25
- Strong's-lexicon: H2617, G2110 en G2140
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.