Verouderd woord
Goedertierenheid
zelfstandig naamwoord
In het kort
Goedertierenheid is goedheid die uit liefde en trouw voortkomt: genade, gunst en barmhartigheid. In de Statenvertaling gaat het bijna altijd over God, Die Zijn volk trouw blijft en goed doet, ook aan wie het niet verdient. Goedertieren is het bijvoeglijk naamwoord.
In hedendaags Nederlands: trouwe liefde, goedheid, genade, gunst, barmhartigheid
Wat betekent goedertierenheid?
Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal was goedertieren oorspronkelijk een koppeling van twee woorden: goed en tier, een oud woord voor aard of soort. Goeder tiere betekende van goede aard. Het WNT noemt drie betekenissen van goedertierenheid. De oudste, zachtaardigheid, is verouderd. Daarna kwam goedgunstigheid en genade, bijvoorbeeld van een vorst. De derde betreft God: barmhartigheid, lankmoedigheid, goedheid en genade. Het WNT haalt daarbij Psalm 33:22 en Romeinen 11:22 aan. Goedertierenheid doen betekent gunst bewijzen, en het meervoud goedertierenheden staat voor de concrete blijken van die goedheid. Van God gezegd is goedertieren volgens het WNT: barmhartig, lankmoedig en liefderijk.
Goedertierenheid in de Statenvertaling
176 keer, in 170 verzen en 26 bijbelboeken (goedertieren 10, goedertierene 5, goedertierenheid 152, goedertierenheden 9).
De vier vormen staan 176 keer in de Statenvertaling, in 170 verzen verdeeld over 26 bijbelboeken. Het zelfstandig naamwoord goedertierenheid is verreweg het meest gebruikt, en meer dan honderd keer staat het in de Psalmen. In Psalm 136 keert het in elk van de 26 verzen terug: 'want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid'. Elke daad van God, van de schepping tot de uittocht uit Egypte, wordt zo verklaard uit Zijn goedertierenheid.
In het Oude Testament staat het woord vaak naast waarheid of trouw. Het gaat om liefde die zich verbonden weet en niet loslaat. Na de verwoesting van Jeruzalem schrijft de dichter van Klaagliederen: 'Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn' (Klaagliederen 3:22). Goedertieren wordt ook van mensen gezegd. Spreuken zegt dat een goedertieren mens zijn ziel goed doet, en in Psalm 12:2 klaagt David dat de goedertierene ontbreekt.
In het Nieuwe Testament is goedertierenheid een eigenschap van God. Zij leidt mensen tot bekering (Romeinen 2:4) en is verschenen in Christus, 'de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker' (Titus 3:4). Ze is ook een vrucht van de Geest in Galaten 5:22. Paulus vraagt de gemeente: 'zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig' (Efeze 4:32). In 1 Korinthe 13:4 is de liefde lankmoedig en goedertieren.
Verzen met goedertierenheid
“Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;”
Het begin van de psalm waarin elk vers eindigt met dezelfde reden tot lof. God is goed, en Zijn goedertierenheid houdt nooit op. Ook in Psalm 118:1 staat deze regel.
“Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;”
Midden in de rouw over Jeruzalem belijdt de dichter dat het alleen aan Gods goedertierenheden te danken is dat het volk niet volledig vergaan is. Het meervoud wijst op de vele blijken van Zijn goedheid.
“Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?”
Paulus waarschuwt wie Gods goedheid als vanzelfsprekend neemt. Goedertierenheid is geen reden om rustig verder te leven, maar wil de mens juist tot bekering brengen.
“Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,”
De goedertierenheid en liefde van God zijn verschenen in Christus. Paulus zegt in de volgende verzen dat God ons zalig gemaakt heeft, niet uit werken, maar naar Zijn barmhartigheid.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Het zijn de goedertierenheden des HEEREN,. Dat is, het is aan de overvloeiende genade Gods toe te schrijven.
De vertalers geven de zin kort weer: dat het volk niet vernield is, moet worden toegeschreven aan de overvloeiende genade van God. Goedertierenheden is dus een woord voor genade die overvloeit.
Bij Romeinen 2:4
goedertierenheid,. Dit is ene eigenschap Gods, waardoor Hij zegent en weldoet, ook zelfs degenen die kwaad zijn; Mat 5:45 .
De kanttekening noemt goedertierenheid een eigenschap van God, waardoor Hij zegent en weldoet, zelfs aan mensen die kwaad zijn. Ze verwijst naar Mattheüs 5:45, waar God de zon laat opgaan over bozen en goeden.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
חֵסֵד chesed (Hebreeuws, H2617)
Het Hebreeuwse chesed betekent volgens het Strong's-lexicon goedheid, vriendelijkheid en trouw. Het is het woord achter goedertierenheid in de Psalmen. De Statenvertaling geeft hetzelfde woord elders weer met weldadigheid, zoals in Exodus 34:6 en Ruth 3:10.
Onder meer in Psalm 136:1, Klaagliederen 3:22 en Psalm 103:8. Woordstudie bij H2617 (na inloggen).
χρηστότης chrestotes (Grieks, G5544)
Het Griekse chrestotes komt volgens het Strong's-lexicon van chrestos, bruikbaar of goed. Het betekent zedelijke voortreffelijkheid in karakter en optreden: goedheid en vriendelijkheid. Zo heet Gods goedheid in Romeinen en Titus, en zo heet een vrucht van de Geest.
Onder meer in Romeinen 2:4, Titus 3:4 en Galaten 5:22. Woordstudie bij G5544 (na inloggen).
χρηστός chrestos (Grieks, G5543)
Het bijvoeglijk naamwoord chrestos staat achter goedertieren in deze verzen. Het lexicon geeft goed, vriendelijk en genadig. Petrus gebruikt het wanneer hij zegt dat de gelovigen gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is.
Onder meer in Lukas 6:35, Efeze 4:32 en 1 Petrus 2:3. Woordstudie bij G5543 (na inloggen).
Verwante woorden
- goedertieren: Het bijvoeglijk naamwoord: goed en genadig, van God en van mensen gezegd.
- weldadigheid: Vertaalt vaak hetzelfde Hebreeuwse woord chesed, onder meer in Exodus 34:6 en in het boek Ruth.
- lankmoedig: Staat in Psalm 103:8 en Romeinen 2:4 naast goedertierenheid.
- ontfermen: In Klaagliederen 3:32 ontfermt God Zich naar de grootheid van Zijn goedertierenheden.
- goedigheid: Een verwant woord voor Gods goedheid, in Exodus 33:19 en Jesaja 63:7.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M020915. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M020916. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Klaagliederen 3:22 en Romeinen 2:4
- Strong's-lexicon: H2617, G5544 en G5543
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.