Inleiding tot Hosea 6
Hosea hoofdstuk 6 vormt een belangrijk keerpunt in de profetie van Hosea. Na de veroordelingen in de vorige hoofdstukken, lijkt Israël eindelijk tot inkeer te komen. Maar hun berouw blijkt oppervlakkig en kortstondig te zijn. Dit hoofdstuk toont Gods dilemma: hoe om te gaan met een volk dat steeds weer terugvalt in ontrouw.
Israëls Oppervlakkige Berouw (vers 1-3)
Het hoofdstuk begint met wat lijkt op een oprecht boetelied: 'Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.' Deze woorden klinken mooi, maar missen de diepte van echte berouw.
De belofte 'Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen' (vers 2) wordt door sommige uitleggers gezien als een vroege verwijzing naar Christus' opstanding. Anderen interpreteren dit als een uitdrukking van het vertrouwen dat Gods herstel snel zal komen.
Het probleem ligt in vers 3: 'Zijn uitgang is bereid als de dageraad.' Israël behandelt Gods genade als iets vanzelfsprekends, alsof herstel automatisch komt zoals de zon opkomt.
Gods Teleurstelling (vers 4-6)
Gods reactie toont Zijn diepe teleurstelling: 'Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat.'
Deze vergelijking met morgendauw is krachtig. Net zoals dauw snel verdampt wanneer de zon opkomt, zo verdwijnt Israëls liefde voor God bij de eerste beproeving. Hun toewijding is vluchtig en oppervlakkig.