Ga naar hoofdinhoud

Uit de bijbelse wereld

Pascha

zelfstandig naamwoord

In het kort

Pascha betekent voorbijgang. Het is de naam van het feest waarop Israël de bevrijding uit Egypte herdacht, en ook van het lam dat op dat feest geslacht en gegeten werd. Paulus noemt Christus ons Pascha.

In hedendaags Nederlands: voorbijgang, Joods paasfeest, paaslam

Wat betekent pascha?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt pascha de naam van een van de drie grote feesten van Israël, de herdenking van de bevrijding uit Egypte, en daarnaast het paaslam dat op dat feest gegeten werd. Het WNT vermeldt ook het gebruik voor Christus als offerlam. Het woord kwam via het Grieks en Latijn uit het Hebreeuwse pesach, dat men volgens het WNT verklaart als voorbijgang. De kanttekening bij Exodus 12:11 zegt hetzelfde: pesach betekent doorgang, voorbijgang of overspringing, omdat de verderfengel de huizen van de Israëlieten voorbijging. Het lam heet zo omdat het daarvan een teken was. Het WNT verwijst bij pascha ook naar het artikel over Paasch, ons Pasen.

Pascha in de Statenvertaling

71 keer, in 66 verzen en 15 bijbelboeken.

Pascha staat 71 keer in de Statenvertaling, in 66 verzen en 15 bijbelboeken. De Statenvertaling heeft het woord steeds onvertaald overgenomen. Het begint in Exodus 12, in de nacht van de uittocht. Elk huisgezin slachtte een lam, streek het bloed aan de deurposten en at het met haast, klaar voor de reis met de staf in de hand: 'het is des HEEREN pascha'. Wanneer kinderen later vroegen wat dit betekende, moesten de ouders vertellen dat de HEERE voor hun huizen was voorbijgegaan.

Het pascha werd elk jaar gevierd op de veertiende dag van de eerste maand, gevolgd door het feest van de ongehevelde broden. Een vreemdeling mocht meevieren als hij besneden was. Op belangrijke momenten in de geschiedenis van Israël wordt het pascha opnieuw gehouden: onder Jozua bij Gilgal, onder Hizkia en onder Josia, en na de ballingschap in de dagen van Ezra.

In de evangeliën trekken Jozef en Maria jaarlijks naar Jeruzalem 'op het feest van pascha', en Johannes noemt meer dan één pascha tijdens het openbare optreden van de Heere Jezus (Johannes 2:13, 6:4, 11:55). In de nacht voordat Hij leed, at de Heere Jezus het pascha met Zijn discipelen en stelde daarbij het heilig avondmaal in. Paulus trekt de lijn door: 'Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus' (1 Korinthe 5:7). De woorden paasoffer (Exodus 12:27) en paasofferen (2 Kronieken 35:7-9) zitten niet in die telling.

Verzen met pascha

  • Exodus 12:11

    “Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.”

    In de nacht van de uittocht at Israël het pascha klaar om te vertrekken. De kanttekening legt het woord uit als voorbijgang: de verderfengel ging de huizen met het bloed voorbij.

  • Exodus 12:43

    “Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.”

    God geeft de inzetting van het pascha. Geen vreemdeling mocht ervan eten; uit de volgende verzen blijkt dat hij wel mocht meevieren nadat hij besneden was.

  • Lukas 22:15

    “En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;”

    Christus heeft er sterk naar verlangd dit laatste pascha met Zijn discipelen te eten voordat Hij lijdt. Het oude feest staat aan de vooravond van de vervulling.

  • 1 Korinthe 5:7

    “Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.”

    Paulus noemt Christus ons Pascha, voor ons geslacht. Zoals het bloed van het lam Israël beschermde, zo is Christus' offer de grond van de verlossing van Zijn gemeente.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Exodus 12:11

    pascha. Hebreeuws, Pesach. Het betekent een doorgang, voorbijgang, of overspringing, omdat de slaande engel de huizen der Israëlieten is voorbijgegaan of voorbijgesprongen, vs.13, 23, 27. Het lam wordt hier Pesach, dat is, voorbijgang genoemd, omdat het een teken daarvan was. Zie deze sacramentele wijze van spreken, Gen 17:10, en de eigenlijke manier van spreken onder, vs.13, en Exo 13:9.

    De vertalers geven de betekenis van het Hebreeuwse Pesach: doorgang of voorbijgang, omdat de engel de huizen van Israël voorbijging. Het lam draagt die naam omdat het daar een teken van was, zoals ook de besnijdenis het verbond heet.

  • Bij 1 Korinthe 5:7

    ons pascha. Of, ons pascha is voor ons geofferd; dat is, het pascha, dat voor ons tot verzoening onzer zonden is geofferd. Christus wordt hier genaamd het pascha, door een oneigenlijke manier van spreken, die van de sacramenten dikwijls gebruikt wordt [gelijk het brood in het Avondmaal genaamd wordt het lichaam van Christus en de gemeenschap des lichaams van Christus ], omdat het paaslam een teken en figuur van Christus en zijne offerande was. Zie Joh 19:36 .

    De kanttekening legt uit waarom Christus het pascha heet: het paaslam was een teken en afbeelding van Christus en Zijn offer tot verzoening van de zonden. Zo spreekt de Schrift ook over het brood van het avondmaal.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • פֶּסַח pesach (Hebreeuws, H6453)

    Het Hebreeuwse pesach is volgens het Strong's-lexicon het feest van het pascha en het paaslam zelf. De kanttekeningen verklaren het woord als voorbijgang, naar de nacht waarin de HEERE de huizen van Israël voorbijging.

    Onder meer in Exodus 12:11 en Exodus 12:43. Woordstudie bij H6453 (na inloggen).

  • πάσχα pascha (Grieks, G3957)

    Het Nieuwe Testament neemt het woord in het Grieks over als pascha; het lexicon noemt het van Chaldeeuwse, dat is Aramese, herkomst. Het betekent het paasmaal, de feestdag en de offers die erbij hoorden. Bij Paulus is Christus Zelf het Pascha.

    Onder meer in Johannes 2:13, Lukas 22:15 en 1 Korinthe 5:7. Woordstudie bij G3957 (na inloggen).

Verwante woorden

  • zuurdesem: Met het pascha moest alle zuurdesem uit het huis; Paulus maakt er een beeld van de zonde van.
  • hysop: Met een bundeltje hysop werd het bloed van het paaslam aan de deurposten gestreken.
  • eerstgeborene: In de paasnacht werden de eerstgeborenen van Egypte geslagen en die van Israël gespaard.
  • ongehevelde broden: Brood zonder zuurdesem; het feest daarvan volgde direct op het pascha.
  • paaslam: Het lam van het feest; ook pascha genoemd, zoals in Exodus 12:11.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M052461. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Exodus 12:11, Exodus 12:43 en 1 Korinthe 5:7
  • Strong's-lexicon: H6453 en G3957
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.