Verouderd woord
Naarstig
bijvoeglijk naamwoord
In het kort
Naarstig betekent ijverig en zorgvuldig: iets met inzet en aandacht doen, niet half of slordig. Naarstiglijk is in de Statenvertaling ook nauwkeurig of met grote ernst, en naarstigheid is de ijver of haast waarmee iemand zich ergens voor inzet.
In hedendaags Nederlands: ijverig, vlijtig, zorgvuldig, nauwgezet, met ernst
Wat betekent naarstig?
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft als oudere vorm ook neerstig, en brengt het woord waarschijnlijk in verband met ernst. Als bijvoeglijk naamwoord betekent naarstig zeer ijverig, zorgvuldig en nauwgezet, of in het bijzonder ijverig en vlijtig, zoals van een leerling die zijn best doet. Het WNT noemt het in die algemene betekenis al ongewoon. Als bijwoord betekent het met alle aandacht en zorgvuldig, een betekenis die het WNT verouderd noemt. Naarstigheid is de eigenschap of houding van naarstig zijn. Van naarstiglijk zegt het WNT dat het alleen nog met opzet en ironisch gebruikt wordt. In de Statenvertaling is er niets ironisch aan: het is de ernst van wie iets werkelijk wil.
Naarstig in de Statenvertaling
32 keer, in 32 verzen en 16 bijbelboeken (naarstig 3, naarstiglijk 19, naarstigheid 10).
De drie vormen staan 32 keer in de Statenvertaling, in 32 verzen verdeeld over zestien bijbelboeken. Het bijwoord naarstiglijk is het meest gebruikt. In de boeken van Mozes staat het vaak bij gehoorzamen, horen en houden: 'indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen' (Exodus 19:5). De kanttekening zegt dat er in het Hebreeuws staat: gehoorzamende zult gehoorzamen. Het Hebreeuws herhaalt het werkwoord om nadruk te geven, en de vertalers geven die nadruk weer met naarstiglijk. Zo ook in Leviticus 19:17, waar de naaste naarstiglijk berispt moet worden: letterlijk bestraffende bestraffen.
In de evangeliën betekent naarstiglijk vaak nauwkeurig. Herodes 'vernam naarstiglijk' van de wijzen wanneer de ster verschenen was, en zond hen om naarstiglijk naar het Kind te onderzoeken. Lukas schrijft dat hij alles van voren aan naarstiglijk onderzocht heeft voordat hij zijn evangelie aan Theofilus schreef. En in de gelijkenis zoekt de vrouw die een penning verloren heeft naarstiglijk, totdat zij hem vindt.
Naarstigheid staat vooral in de brieven. Het is de ijver waarmee iemand zich ergens voor inzet. Wie een voorstander is, moet dat doen 'in naarstigheid' (Romeinen 12:8). In 2 Korinthe 8 prijst Paulus de naarstigheid van Titus en van de gemeente. Petrus vraagt alle naarstigheid toe te brengen bij de groei van het geloof, en Judas begint zijn brief met de opmerking dat hij alle naarstigheid doet om te schrijven.
Verzen met naarstig
“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;”
Bij de Sinaï belooft God dat Israël Zijn eigendom zal zijn als het naarstiglijk Zijn stem gehoorzaamt. Naarstiglijk geeft hier de nadruk van het Hebreeuws weer: werkelijk en met heel het hart gehoorzamen.
“En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.”
Herodes stuurt de wijzen naar Bethlehem om naarstiglijk naar het Kind te onderzoeken. Hij wil het precies weten, maar zijn bedoeling is niet het Kind te aanbidden, zoals hij zegt, maar het te doden.
“Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!”
Lukas verantwoordt zijn werkwijze: hij heeft alles van het begin af aan naarstiglijk onderzocht. Naarstig betekent hier zorgvuldig en nauwkeurig, zodat Theofilus zekerheid zou hebben over wat hij onderwezen was.
“Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.”
Paulus noemt verschillende gaven in de gemeente. Wie een voorstander is, iemand die leiding geeft, moet dat doen met naarstigheid: met inzet en zorg, niet traag of onverschillig.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Exodus 19:5
naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen,. Hebreeuws, gehoorzamende zult gehoorzamen.
De vertalers tekenen aan dat er in het Hebreeuws staat: gehoorzamende zult gehoorzamen. Het werkwoord wordt herhaald om het te versterken. Naarstiglijk is dus de Nederlandse weergave van die Hebreeuwse nadruk.
Bij Spreuken 27:23
Wees naarstig,. Hebreeuws, kennende zult gij kennen. Het woord kennen is hier genomen voor bezorgen en waarnemen. Zie Gen 18:19 .
Ook hier staat volgens de kanttekening een herhaling in het Hebreeuws: kennende zult gij kennen. Kennen betekent hier zorgen voor en letten op. Wie naarstig is, weet hoe het met zijn kudde gaat en zorgt ervoor.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
ἀκριβῶς akribos (Grieks, G199)
Het Griekse bijwoord akribos betekent volgens het Strong's-lexicon precies of nauwkeurig. Waar de Statenvertaling het met naarstiglijk weergeeft, gaat het dus om grondig en exact te werk gaan, bij Herodes, bij Lukas en bij Apollos.
Onder meer in Mattheüs 2:8, Lukas 1:3 en Handelingen 18:25. Woordstudie bij G199 (na inloggen).
σπουδή spoude (Grieks, G4710)
Het zelfstandig naamwoord spoude komt volgens het lexicon van speudo, haasten. Het betekent spoed, en daaruit ijver en ernst. De Statenvertaling vertaalt het in de brieven met naarstigheid: de inzet van wie zich haast om iets goed te doen.
Onder meer in Romeinen 12:8, 2 Korinthe 8:7, 2 Petrus 1:5 en Judas 1:3. Woordstudie bij G4710 (na inloggen).
Verwante woorden
- naarstiglijk: Het bijwoord: met ernst, nauwkeurig of ijverig; 19 keer in de Statenvertaling.
- naarstigheid: Het zelfstandig naamwoord: ijver en inzet, vooral in de brieven van Paulus en Petrus.
- neerstig: Een oudere vorm van hetzelfde woord, die het WNT naast naarstig noemt.
- deugd: In 2 Petrus 1:5 vraagt Petrus naarstigheid om deugd bij het geloof te voegen.
- traag: Het tegendeel; Romeinen 12:11 zegt: zijt niet traag in het benaarstigen.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M040434. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Exodus 19:5, Leviticus 19:17, Deuteronomium 11:13 en Spreuken 27:23
- Strong's-lexicon: G199 en G4710
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.